Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1464

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
LEE 25/3272
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.8b WerkwijzeArt. 2.8 WerkwijzeArt. 1:3 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag vaste vergoeding mijnbouwschade wegens niet voldoen aan voorwaarden

Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een vaste vergoeding in het kader van mijnbouwschade, waarbij onduidelijkheid bestond of het ging om een Aanvullende Vaste Vergoeding (AVV) of een Vaste vergoeding Eerste Schademelding (VES). De rechtbank oordeelt dat het Instituut de aanvraag terecht als een AVV-aanvraag heeft opgevat en afgewezen omdat de woning van eisers in 2017 is gebouwd en er geen eerdere aanvraag voor de oude gesloopte woning is ingediend.

Eisers voerden aan dat zij recht hebben op vergoeding omdat zij een voorinschrijving hadden gedaan en hun zoon wel een VES-vergoeding ontving. De rechtbank stelt echter vast dat een voorinschrijving geen aanvraag is en dat de brief van het Instituut geen besluit is. Daarnaast geldt dat de VES-regeling alleen geldt voor woningen gebouwd in 2012 of eerder en binnen een bepaald gebied, waardoor eisers niet in aanmerking komen.

De rechtbank gaat ook in op het gelijkheidsbeginsel, maar concludeert dat de situatie van de zoon van eisers niet gelijk is aan die van eisers zelf. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eisers krijgen geen vergoeding of proceskosten toegekend.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een vaste vergoeding mijnbouwschade.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/3272

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], uit [woonplaats], eisers

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut

(gemachtigden: mr. B.P. van der Togt en mr. S.C. Goldbohm).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers voor een vaste vergoeding. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het bestreden besluit blijft in stand en eisers krijgen geen aanvullende vergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 27 september 2024 hebben eisers een voorinschrijving gedaan voor een Aanvullende Vaste Vergoeding (AVV). Hierover is op 7 oktober 2024 een brief van het Instituut gekomen dat eisers niet in aanmerking komen voor de AVV omdat de woning buiten het effectgebied ligt.
2.1.
Op 15 november 2024 is aan eisers medegedeeld dat de mogelijkheid om een AVV aan te vragen in fases, per postcode, wordt opengesteld. Op 28 mei 2025 is aan eisers bericht dat hun postcode is opengesteld en dat ze een AVV-aanvraag kunnen doen.
2.2.
Eisers hebben op 5 juni 2025 een aanvraag ingediend. Het Instituut heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juli 2025 afgewezen omdat de woning van eisers is gebouwd in 2017 en de woning daarom volgens het beleid van het Instituut niet in aanmerking komt voor de AVV.
2.3.
Met het bestreden besluit van 28 augustus 2025 op het bezwaar van eisers is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Het Instituut benoemt dat er bij een AVV inderdaad uitgegaan kan worden van het bouwjaar van de oude woning, maar omdat voor de oude gesloopte woning niet eerder een aanvraag tot schadevergoeding is ingediend komen eisers niet in aanmerking voor een AVV.
2.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigden van het Instituut.
Wat vinden eisers in beroep?
3. In het bestreden besluit is de aanvraag afgewezen omdat er niet eerder een aanvraag is ingediend. Dit klopt niet, zo stellen eisers. Ze hebben immers op 27 september 2024 een voorinschrijving gedaan, deze voorinschrijving is geregistreerd onder [nummer 1]. Met de brief van 7 oktober 2024 is deze aanvraag afgewezen omdat de woning buiten het effectgebied ligt. Daarna is op 28 mei 2025 aan eisers bericht dat zij nu wel een aanvraag konden indienen. Dit hebben zij gedaan. Deze aanvraag is geregistreerd onder [nummer 2] en is afgewezen omdat de woning pas in 2017 was gebouwd. In bezwaar heeft het Instituut gezegd dat ze het ermee eens zijn dat ze de datum van de oude woning hadden moeten hanteren. Gelet op het bouwjaar komen eisers dus wel in aanmerking voor de AVV. Nu er ook een eerdere aanvraag ligt menen eisers dat ze wel voldoen aan alle voorwaarden van de AVV. In de aanvullende gronden benoemen eisers dat zij ook niet eerder dan na het bericht van 28 mei 2025 een aanvraag konden indienen. Voor die tijd was dit niet mogelijk. Zij menen dan ook dat ze recht hebben op de vaste vergoeding van € 10.000,--.
3.1.
Ter zitting hebben eisers toegelicht dat het steeds de bedoeling is geweest om een Vaste vergoeding Eerste Schademelding (VES) van € 10.000 aan te vragen, geen AVV. De zoon van eisers, wiens woning in dezelfde buurt ligt en in 2012 is gebouwd, heeft namelijk ook een VES aanvraag gedaan en hij heeft wel het bedrag ontvangen. Eisers doen dan ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Wat vindt het Instituut?
4. Het Instituut stelt dat de voorinschrijving geen aanvraag betreft en dat de brief van
7 oktober 2024 geen besluit is. Uit artikel 2.8b van de Procedure en Werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (hierna: de Werkwijze) volgt dat voor een AVV is vereist dat er eerder fysieke schade aan de betreffende woning is behandeld. Wanneer dit het geval is en er is minder dan € 10.000,- toegekend dan kan er een aanvullende vergoeding voor die woning worden toegekend. Dit kan ook als de woning al gesloopt is. Voor de gesloopte woning van eiser is echter geen aanvraag voor schadevergoeding gedaan en dus ook geen vergoeding toegekend, zodat een aanvullende vergoeding voor die woning niet meer mogelijk is. Voor de huidige woning op deze locatie geldt dat slechts een schadevergoeding verkregen kan worden voor woningen van vóór 2013. Omdat de woning van eisers in 2017 is gebouwd en er niet eerder een schadevergoeding is toegekend kan er ook voor de huidige woning geen AVV (of VES) toegekend worden.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank stelt vast dat deze zaak ziet op het afwijzende besluit van
28 augustus 2025 voor de aanvraag voor een AVV voor het adres: [adres], [postcode], te [woonplaats] (het adres). Eisers zijn in 2012 eigenaar geworden van de in 1964 gebouwde woning op dit adres. In 2017 is die woning gesloopt en hebben eisers een nieuwe woning laten bouwen. Tijdens de zitting is gebleken dat er sprake is van een misverstand over de vraag of eisers de AVV of de VES hebben willen aanvragen. Het bestreden besluit ziet op de AVV. Eisers stellen echter dat uitgegaan had moeten worden van een VES-aanvraag. Ook is sprake van een misverstand ten opzichte van de vraag of de vergoeding betrekking moet hebben op de oude dan wel de nieuwe woning.
5.1.
De rechtbank zal, gelet op hetgeen is aangevoerd, voor de volledigheid ingaan op de volgende situaties:
De mogelijkheid voor VES voor de oude woning;
De mogelijkheid voor VES voor de nieuwe woning;
De mogelijkheid voor een AVV voor de oude woning; en
De mogelijkheid voor een AVV voor de nieuwe woning;
Vaste vergoeding Eerste Schademelding
6. Eisers stellen dat zij niet een AVV hebben willen aanvragen, maar de VES. De zoon van eisers heeft de VES namelijk twee dagen eerder aangevraagd en hij heeft wel
€ 10.000,- gekregen. Eisers willen gelijk behandeld worden. In het primaire besluit van
10 juli 2025 staat ook in de ‘betreft-regel’: Besluit vaste vergoeding. Eisers menen dan ook dat zij er vanuit mochten gaan dat het om de VES ging.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. In de samenvatting van de aanvraag van eisers staat dat het gaat op een ‘aanvraag (aanvullende) vaste vergoeding’. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat in de ‘betreft-regel’ van het besluit van 10 juli 2025 is opgenomen dat het om een ‘Besluit vaste vergoeding’ gaat niet maakt dat eisers ervan uit konden gaan dat het besluit de VES betrof. De AVV is immers ook een vaste vergoeding. Verder wordt in het besluit steeds ‘(aanvullende) vaste vergoeding’ geschreven.
Ad a: Vaste vergoeding Eerste Schademelding oude woning mogelijk?
7. Eisers benoemen in bezwaar dat er uitgegaan moet worden van het bouwjaar van de oude gesloopte woning voor de behandeling van de aanvraag. Bij de VES-regeling kan volgens het beleid van het Instituut enkel uitgegaan worden van de op het moment van de aanvraag in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) opgenomen woning, dus niet van een oude gesloopte woning.
7.1.
Het Instituut is naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht uitgegaan van een AVV aanvraag, nu het niet mogelijk is om een op basis van de VES-regeling een vergoeding voor een oude woning te krijgen.
Ad b: Vaste vergoeding Eerste Schademelding nieuwe woning mogelijk?
8. De rechtbank stelt vast dat volgens het beleid van het Instituut voor de VES regeling geldt dat er enkel een vergoeding kan worden toegekend wanneer de woning binnen zes kilometer van de grens van het Groningenveld, de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk ligt, en een bouwjaar van 2012 of eerder heeft. Nu bij de VES regeling alleen van de huidige woning uitgegaan kan worden komen eisers voor hun woning, met bouwjaar 2017, niet in aanmerking voor de VES.
8.1.
Gelet op de geldende voorwaarden komen eisers voor de nieuwe woning niet in aanmerking voor de VES.
Aanvullende Vaste Vergoeding
9. In de toelichting bij de Werkwijze is opgenomen dat de aanvullende vaste vergoeding een aanvulling is op de al vastgestelde vergoedingen voor fysieke schade voor het betreffende object tot de hoogte van het bedrag van de vaste vergoeding [€ 10.000 of
€ 5.000]. De regels en voorwaarden die gelden voor deze regeling zijn vastgelegd in de Werkwijze.
9.1.
Voor zover hier relevant is het volgende in de Werkwijze opgenomen: “
Het Instituut kan een aanvullende vaste vergoeding toekennen, indien: fysieke schade aan dat object eerder is behandeld door de NAM, het CVW, de burgerlijke rechter, de TCMG of het Instituut [1] . Verder is in de Werkwijze onder meer als voorwaarde opgenomen dat de aanvraag moet gaan om een woning die binnen zes kilometer van de grens van het Groningenveld, de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk ligt, en een bouwjaar heeft van 2012 of eerder. [2]
Ad c: Aanvullende Vaste Vergoeding voor oude woning mogelijk?
10. Partijen zijn het erover eens dat de oude, gesloopte woning een bouwjaar had van vóór 2012. Gelet op het bouwjaar is een aanvraag voor een AVV mogelijk. Daarnaast geldt onder andere de voorwaarde dat er eerder fysieke schade moet zijn behandeld aan het object, oftewel er moet eerder een aanvraag tot schadevergoeding zijn ingediend voor de betreffende woning. Partijen zijn het er ook over eens dat er in het verleden geen aanvraag tot schadevergoeding is gedaan voor de nu gesloopte woning. Eisers stellen echter dat ze wel op 27 september 2024 een voorschrijving hebben gedaan. Die voorinschrijving moet ook meetellen als eerdere aanvraag. Op 7 oktober 2024 is ook een besluit genomen op deze aanvraag. Bij de voorinschrijving is een zaaknummer aan het dossier gekoppeld. Nadat de aanvraag voor de AVV was gedaan, is aan die zaak een ander zaaknummer gekoppeld. Er zijn dus wel degelijk twee procedures geweest bij het Instituut.
10.1.
De rechtbank volgt eisers niet. Ten eerste kan een voorinschrijving niet worden aangemerkt als een aanvraag zoals bedoeld in de wet [3] . Met de voorinschrijving is namelijk niet om een besluit verzocht. Daarbij is de brief van 7 oktober 2024 geen (afwijzend) besluit [4] , maar een informatieve brief. Dat aan de voorinschrijving een nummer is gegeven maakt niet dat het om een aanvraag gaat. Daarbij moet het, om in aanmerking te komen voor de AVV, gaan om een aanvraag tot schadevergoeding voor de oude woning. Op het moment dat eisers de voorinschrijving deden was de oude woning al gesloopt. Het was op dat moment dus al niet meer mogelijk om de fysieke schade aan die oude woning op te nemen. Er is geen aanvraag voor een vergoeding van fysieke schade aan de gesloopte woning ingediend en er is dus ook geen schade behandeld, aan die voorwaarde is dus niet voldaan.
10.2.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Instituut terecht heeft gesteld dat eisers geen recht hebben op een AVV voor de oude woning.
Ad d: Aanvullende Vaste Vergoeding voor nieuwe woning mogelijk?
11. In het primaire besluit is uitgegaan van de nieuwe woning. Had het Instituut dit in bezwaar aan moeten houden? De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Eisers hebben zelf in bezwaar benoemd dat er uitgegaan moet worden van het bouwjaar van de oude woning. Nu dit ook een mogelijkheid is onder de AVV-regeling heeft het Instituut dit kunnen beoordelen. Daarbij zou de uitkomst niet anders zijn geweest. De nieuwe woning heeft een bouwjaar van ná 2012. Zoals eerder al is beschreven is een van de voorwaarden voor een AVV dat het moet gaan om een woning met een bouwjaar van 2012 of eerder.
11.1.
Voor de huidige woning komen eisers ook niet in aanmerking voor een AVV.
Gelijkheidsbeginsel
11.2.
Aan de hand van hetgeen eisers naar voren hebben gebracht over de aanvraag die hun zoon heeft ingediend, is ook de aanvraag van eisers zoon getoetst aan de voorwaarden die gelden voor de regeling voor de aanvullende vergoeding. Uitgaande van het ter zitting benoemde bouwjaar van de woning van eisers zoon, namelijk 2012, voldoet zijn woning wel aan de geldende voorwaarden. Uit hetgeen naar voren is gebracht is niet gebleken dat er sprake is van gelijke gevallen waarbij ongelijk is gehandeld, een beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het Instituut heeft de aanvraag van eisers kunnen opvatten als een aanvraag voor de AVV en deze aanvraag kunnen afwijzen als ongegrond. Voor zover al sprake zou zijn van een misverstand en de aanvraag als een VES opgevat had moeten worden, komen eisers ook dan niet voor een vergoeding in aanmerking.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen aanvullende vergoeding krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. Gans, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.8b, eerste lid, aanhef en onder b van de Werkwijze.
2.Artikel 2.8b onder f jo. Artikel 2.8, tweede lid, onder d van de Werkwijze.
3.Artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4.Artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.