ECLI:NL:RBNNE:2026:133

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
24/4172
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G. Knuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 6.5 BorArt. 3:2 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning voor vier kleine huurwoningen wegens motiveringsgebrek en onvoldoende akoestisch onderzoek

De zaak betreft het beroep tegen de omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland voor de bouw van vier kleine huurwoningen op een perceel in Oudega. Eisers betogen dat het bouwplan niet voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer vanwege het niet naleven van afstandsnormen uit de VNG-Handreiking en een onvoldoende akoestisch onderzoek.

De rechtbank oordeelt dat het college bevoegd was de vergunning te verlenen, maar dat het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Het akoestisch onderzoek, dat pas na schorsing door de voorzieningenrechter is uitgevoerd, houdt geen rekening met de maximale planologische en vergunningvrije uitbreidingsmogelijkheden, waardoor niet kan worden vastgesteld dat een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

Daarnaast is vastgesteld dat het bouwplan in strijd is met de bestemmingsplanregels omtrent de maximale diepte en oppervlakte van het hoofdgebouw, en dat het college dit niet heeft beoordeeld. Andere bezwaren, zoals de watertoets en het ontbreken van draagvlak, worden door de rechtbank verworpen. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt het college op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij afdeling 3.4 van de Awb buiten toepassing blijft.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de omgevingsvergunning wegens motiveringsgebrek en onvoldoende akoestisch onderzoek en draagt het college op een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4172

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Oudega, eiser sub 1a,

[naam], uit Oudega, eiser sub 1b,
(gemachtigde: [naam]),
hierna gezamenlijk te noemen eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland, het college
(gemachtigde: mr. F.P. Doting).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Kleinhuis Exploitatie en Ontwikkeling B.V.uit Oudega, vergunninghoudster
(gemachtigden: J. Kleinhuis en S. Kleinhuis).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning voor vier kleine huurwoningen in Oudega. Eisers zijn het daar niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Eisers krijgen gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft op 8 december 2023 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag ziet op een project voor de bouw van vier kleine huurwoningen op het perceel Achterwei 14 a-d in Oudega (het perceel).
2.1.
Het college heeft een ontwerpbesluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning genomen.
2.2.
Eisers hebben een zienswijze ingediend.
2.3.
Met het bestreden besluit van 11 september 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening’.
2.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
In de uitspraak van 27 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de werking van de verleende omgevingsvergunning geschorst.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college, vergezeld van W. Dijkstra (afdeling planologie) en H.J.M. Veur (akoestisch adviseur van DGMR) en de gemachtigden van vergunninghoudster.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
3.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag en de gewijzigde aanvraag om omgevingsvergunning zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreden van de Omgevingswet, blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing. [1]
3.2.
Het ter plaatse geldend planologisch regime is het bestemmingsplan ‘Kleine kernen noord’. Op het perceel geldt de bestemming ‘Wonen-2’. Niet in geschil is dat het aangevraagde project in strijd is met de geldende planregels.
3.3.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is een omgevingsvergunning vereist voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan. In dit geval kan op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3 van de Wabo een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
3.4.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [2]
Was het college bevoegd de omgevingsvergunning te verlenen?
4. De rechtbank beoordeelt eerst ambtshalve of het college bevoegd is om de omgevingsvergunning te verlenen.
4.1.
Op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is in een geval als het onderhavige bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de gemeenteraad vereist. Dit vereiste geldt ingevolge het derde lid niet als het project valt in een categorie waarvan de gemeenteraad heeft bepaald dat geen vvgb hoeft te worden gevraagd.
4.2.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het college bevoegd is de omgevingsvergunning te verlenen. Uit het categorieënbesluit van de gemeenteraad van Smallingerland van 15 september 2015 volgt dat een vvgb niet vereist is als het project binnen de bebouwde kom is gelegen. De rechtbank stelt vast dat het bouwplan ziet op een perceel dat binnen de bebouwde kom ligt. Dit leidt tot de conclusie dat het college hierom bevoegd was om de omgevingsvergunning te verlenen.
4.3.
De rechtbank zal het bestreden besluit hierna inhoudelijk beoordelen.
Is voldoende gemotiveerd dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening?
5. Eisers betogen dat in de te bouwen woningen een goed woon- en leefklimaat niet is gewaarborgd. Er wordt niet aan de afstandsnormen uit de VNG-Handreiking Bedrijven en Milieuzonering (hierna: VNG-Handreiking) voldaan. Het bouwplan brengt daarom ook een beperking in de gebruik- en uitbreidingsmogelijkheden van hun percelen met zich mee.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
5.2.
Deze grond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gemotiveerd dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.
5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat niet wordt voldaan aan de richtafstanden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [3] volgt dat de in de VNG-Handreiking opgenomen richtafstanden indicatief zijn en dat hiervan gemotiveerd kan worden afgeweken. Een akoestisch onderzoek is dan noodzakelijk. [4]
5.4.
Aan het bestreden besluit lag geen akoestisch onderzoek ten grondslag. Dit maakt dat uit het bestreden besluit ook niet kan worden afgeleid dat een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is. Het college heeft dat gebrek in de besluitvorming ter zitting ook erkend.
5.5.
Nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan, heeft het college alsnog akoestisch onderzoek laten doen door DGMR. Ter zitting heeft het college toegelicht dat dit onderzoek beoogt het motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen.
5.6.
De rechtbank concludeert dat het akoestisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen is. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [5] volgt dat bij afwijking van de in de VNG-Handreiking opgenomen richtafstanden in beginsel rekening dient te worden gehouden met de maximale planologische en vergunningvrije uitbreidingsmogelijkheden op een perceel. Ter zitting is besproken dat in het onderzoek door DGMR is uitgegaan van de feitelijke bestaande situatie. Dat betekent dat voor Achterwei 25-1 t/m Achterwei 25-3 en het bedrijf van vergunninghoudster milieucategorie 2 als uitgangspunt is genomen. Het bestemmingsplan staat ter plaatse echter bedrijven toe in milieucategorie 3.2. Dit leidt tot de conclusie dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte niet van de maximale planologische mogelijkheden is uitgegaan. De rechtbank concludeert daarmee eveneens dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel waar het plan op ziet niet is gewaarborgd.
5.7.
Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond omdat onvoldoende is gemotiveerd dat het bouwplan voldoet aan de eis van goede ruimtelijke ordening. Met het oog op finale geschilbeslechting bespreekt de rechtbank ook de andere gronden.
Is de grootte van het beoogde bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan?
6. Eisers stellen dat het hoofdgebouw in het bouwplan groter is dan de planregels toestaan. Het bouwplan voorziet in een hoofdgebouw met een diepte van 17,6 meter. Op grond van artikel 20.2.2, onder e, van het bestemmingsplan is slechts 12 meter diepte toegestaan. Bovendien is de totale oppervlaktegrootte van het bouwplan boven de 120 m² in strijd met artikel 20.2.2, onder h, van het bestemmingsplan. Beide punten heeft het college ten onrechte niet onderkend.
6.1.
Deze grond slaagt. Het college heeft dit niet betwist. Ook is niet betwist dat het college niet heeft beoordeeld of op dit punt kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Dit betekent dat het college dit in zoverre alsnog moet beoordelen. [6]
Watertoets onvoldoende?
7. Eisers betogen dat de uitgevoerde watertoets onvoldoende is. In totaal wordt voor 295 m² aan oppervlakteverhardingen toegevoegd. De oprit van 165 m² op het perceel voor de woningen is in de berekening van de oppervlakteverhardingen niet meegenomen. In de aanvraag bij het Waterschap is dat onjuist ingevuld. Door de toename aan oppervlakteverhardingen moet de waterafvoer daardoor gecompenseerd worden. Dit wordt ten onrechte niet gedaan.
7.1.
Het college betoogt dat het waterschap met het plan heeft ingestemd. Dat mag het college als uitgangspunt nemen.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de uitgevoerde watertoets voldoende is. Ten onrechte stellen eisers dat de oprit niet in de oppervlakteverhardingen is meegenomen. Het is immers niet in geschil dat het bouwplan voorziet in niet meer dan 300 m² aan oppervlakteverhardingen en dat dit oppervlak als uitgangspunt is genomen. Daar komt bij dat niet in geschil is dat het waterschap akkoord is met het voorgestelde compensatieplan voor de oppervlakteverhardingen die het bouwplan met zich meebrengen. Het betoog slaagt daarom niet.
Overige argumenten
8. Eisers voeren aan dat de gezamenlijke laad- en losstrook verdwijnt. De uitweg van het perceel waar het plan op ziet loopt daar dwars doorheen. Dit zorgt voor verkeersopstoppingen.
8.1.
Het college heeft de door eisers gestelde feiten niet betwist. De mogelijke gevolgen voor het verkeer van het verdwijnen van de laad- en losstrook had het college moeten betrekken bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het project. Ook om die reden is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
9. Eisers betogen verder dat voor het bouwplan geen draagvlak aanwezig is. Ook zijn omwonenden onvoldoende meegenomen in de bouwplannen en de voorbereiding daarvan. De omwonenden hebben daarin onvoldoende kunnen participeren. Ook heeft het college in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slagen deze betogen niet. Uit rechtspraak van de Afdeling [7] blijkt dat het ontbreken van draagvlak niet uitsluit dat een bouwplan wel degelijk in overeenstemming kan zijn met een goede ruimtelijke ordening. Wat daar van zij, vergunninghoudster heeft ter zitting toegelicht dat bij andere dorpsbewoners wel degelijk draagvlak aanwezig is voor het plan, gelet op de bij haar gebleken grote vraag naar huurwoningen. Daar komt bij dat het bestreden besluit met toepassing van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is voorbereid. Dit maakt dat het vermeende gebrek aan draagvlak voldoende is ondervangen en dat derden daarmee niet in hun belangen zijn geschaad. Verder slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel ook niet. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college een concrete toezegging heeft gedaan dat op het perceel waar het plan op ziet geen afwijking van het bestemmingsplan mogelijk is.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij blijft afdeling 3.4 buiten toepassing, zodat niet opnieuw een ontwerpbesluit ter inzage zal worden gelegd. De rechtbank geeft het college acht weken om opnieuw op de aanvraag te beslissen. Tegen dat besluit staat wederom rechtstreeks beroep open bij deze rechtbank. [8]
10.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 11 september 2024;
- draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat bij de voorbereiding van een nieuw besluit afdeling 3.4 van de Awb buiten toepassing blijft;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
3º in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
Artikel 2.27
1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.
Besluit omgevingsrecht (Bor)
Artikel 6.5 Afwijken bestemmingsplan of beheersverordening
(…)
3. de gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
(…)
Bestemmingsplan ‘Kleine kernen noord’
Artikel 4 Bedrijf Pro – 2
4.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Bedrijf - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. bedrijfsactiviteiten, die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2, met uitzondering van zelfstandige kantoren, geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en vuurwerkbedrijven;
4.5
Afwijken van de gebruiksregels
4.5.1
Afwijkingsbevoegdheden
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van:
(…)
de regel van lid 4.1 onder a en toestaan dat bedrijven worden gevestigd genoemd in bijlage 1 onder categorie 3.1 en 3.2, op voorwaarde dat:
1. de bedrijven naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven genoemd in bijlage 1 onder categorie 2;
2. het geen geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en vuurwerkbedrijven betreft;
20.2.2
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
(…)
ls hoofdgebouwen mogen alleen halfvrijstaande woonhuizen (per twee aaneengebouwd) worden gebouwd;
de hoofdgebouwen mogen alleen worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken;
(…)
de oppervlakte van een hoofdgebouw mag maximaal 60% van de oppervlakte van het bouwperceel en mag bovendien niet groter zijn dan 120 m²;
(…)
de diepte van een hoofdgebouw mag maximaal 12 meter zijn;

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 4, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna Afdeling (ABRvS)) 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1633.
3.ABRvS 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1173.
4.vgl. ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4267, r.o. 5.5.
5.ABRvS 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2146, r.o.8.2.
6.Artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo.
7.ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2674, r.o. 4.1.
8.Dat volgt uit artikel 8.1 van de Awb in combinatie met artikel 7.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awb.