ECLI:NL:RBNNE:2026:129

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
23-1511
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inzageverzoek in register van professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen

Deze uitspraak betreft een inzageverzoek van eisers in het register van een professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen. Eisers, die zich zorgen maken over de effecten van gewasbeschermingsmiddelen in hun woonomgeving, hebben de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur verzocht om informatie uit dit register. De minister heeft dit verzoek afgewezen, wat heeft geleid tot beroep door eisers. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister bevoegd is om de informatie op te vragen en dat het beroep gegrond is. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister ten onrechte het verzoek heeft afgewezen op basis van de Wet open overheid (Woo), omdat de informatie die eisers zochten niet bij de minister berustte. De rechtbank heeft de minister opgedragen om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers, en heeft de Staat der Nederlanden veroordeeld tot schadevergoeding aan eisers vanwege de lange duur van de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/1511

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] en [eiser] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: H. Baptist),
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de minister

(gemachtigden: mrs. P.E. van der Werf en J.J. Ton).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit op het verzoek van eisers om verstrekking van informatie uit het register van een professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen. De minister heeft dit verzoek afgewezen. Eisers zijn het hiermee niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit op het bezwaar van eisers.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister bevoegd is om de professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen te verzoeken om de informatie waarop het verzoek van eisers ziet aan de minister beschikbaar te stellen en dat de minister deze bevoegdheid naar aanleiding van het verzoek ook moet aanwenden. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 3 mei 2022 de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LVN, en thans: de minister van Landbouw, Visserij en Voedselzekerheid en Natuur, LVVN) en de minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) verzocht om informatie te verstrekken uit het register van een professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen. Met een besluit van 5 oktober 2022 heeft de minister het verzoek afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 februari 2023 is de minister bij dit besluit gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2024 op zitting behandeld, samen met het beroep in de zaak met nummer LEE 23/5100. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister (mr. Van der Werf). De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft het beroep ter behandeling verwezen naar een meervoudige kamer.
2.3.
De minister heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.
2.4.
Eisers hebben aanvullende gronden ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2025 in meervoudige samenstelling opnieuw op zitting behandeld, samen met het beroep in de zaak met nummer LEE 23/5100. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en doet in beide zaken apart uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
3. Op 3 mei 2022 hebben eisers de minister van LVN en de minister van IenW op grond van artikel 67 van de Verordening (EG) nr. 1107/2009 (de Verordening) verzocht om verstrekking van informatie over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uit het register van [het bedrijf] , een professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen uit [vestigingsplaats] (de professionele gebruiker). [1] Het verzoek van eisers ziet op de jaren 2019, 2020 en 2021. In het bijzonder hebben eisers verzocht om verstrekking van informatie over de naam van het gebruikte gewasbeschermingsmiddel, het tijdstip, de dosis van de toepassing en het perceel en het gewas waarop het gewasbeschermingsmiddel is gebruikt.
3.1.
Bij brief van 7 juli 2022 is aan eisers meegedeeld dat hun verzoek vanuit het ministerie van LVN ter behandeling is doorgestuurd naar de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (de NVWA).
3.2.
Met het besluit van 5 oktober 2022 heeft de minister van LVN het verzoek van eisers afgewezen.
3.3.
In het bestreden besluit van 21 februari 2023 is de minister van LVN bij dit besluit gebleven. De informatie uit het register kan volgens de minister niet aan eisers worden verstrekt, omdat die niet bij de NVWA berust en daar ook niet had behoren te berusten. [2] De minister wijst erop dat de NVWA informatie uit de registers van professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen slechts opvraagt als dat voor onderzoek van toegevoegde waarde is en voor zover dat voor de uitoefening van deze wettelijke taak redelijkerwijs nodig is. [3] De informatie waarop het verzoek van eisers ziet is volgens de minister door de NVWA echter niet eerder opgevraagd gedurende inspecties en daarom niet bij de NVWA aanwezig. De informatie kan volgens de minister daarom op grond van de Woo niet aan eisers worden verstrekt.
De standpunten van partijen
4. Eisers stellen zich op het standpunt dat de minister ten onrechte met toepassing van de Woo een besluit heeft genomen op hun verzoek. Volgens hen is van belang dat artikel 67, eerste lid, van de Verordening, anders dan de Woo, de minister verplicht tot het opvragen van informatie uit een register van een professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen indien aan de minister een verzoek tot verstrekking van die informatie wordt gedaan. Eisers wijzen erop dat de bepaling over het inzagerecht in de registers van professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen uit de Verordening voorrang heeft op de Woo.
4.1.
Op de zitting hebben eisers toegelicht dat zij hun verzoek hebben gedaan omdat zij zorgen hebben over de effecten van de in hun woonomgeving gebruikte gewasbeschermingsmiddelen en de samenstelling daarvan op hun gezondheid. Eisers wijzen erop dat het verzoek ziet op het register van een professionele gebruiker door wie gewasbeschermingsmiddelen worden ingezet ten behoeve van onder meer lelie- en tulpenteelt in de nabijheid van hun woning. Zij benadrukken dat zij van mening zijn dat zij recht behoren te hebben op informatie over het gebruik van, volgens eisers, zorgwekkende en schadelijke chemische stoffen in hun woonomgeving. Eisers stellen dat zij zich vanaf 2012 inzetten om meer informatie hierover te verkrijgen.
5. De minister stelt zich in het verweerschrift en op zitting nader op het standpunt dat op goede gronden met toepassing van de Woo is besloten op het verzoek van eisers. Omdat de informatie die eisers willen hebben niet bij de minister berust en daar ook niet had behoren te berusten op grond van een wettelijke taak, is hun verzoek volgens de minister op grond van de Woo terecht afgewezen. De Verordening behelst volgens de minister geen verplichting voor de minister om informatie uit de registers van professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen op te vragen als om verstrekking van die informatie wordt verzocht door een derde partij.
De Verordening (EG) nr. 1107/2009
6. De Verordening regelt het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen in de Europese Unie en stelt daartoe voorschriften vast voor gewasbeschermingsmiddelen en de werkzame stoffen die deze middelen bevatten.
6.1.
Artikel 67, eerste lid, van de Verordening bepaalt - voor zover van belang - dat professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen registers bijhouden van de gewasbeschermingsmiddelen die zij gebruiken, met vermelding van de naam van het gebruikte gewasbeschermingsmiddel, het tijdstip en de dosis van de toepassing, alsook het gebied en het gewas waarop het gewasbeschermingsmiddel werd gebruikt en dat de professionele gebruikers die registers bewaren gedurende ten minste drie jaar. Relevante informatie uit deze registers stellen zij op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit. Derde partijen, zoals de drinkwaterindustrie, detailhandelaars of omwonenden kunnen zich tot de bevoegde instantie wenden met het verzoek om toegang tot deze informatie te verkrijgen. De bevoegde autoriteiten verstrekken toegang tot deze informatie overeenkomstig het toepasselijke nationale of het Gemeenschapsrecht.
De bevoegde autoriteit
7. De rechtbank overweegt dat in artikel 4, vierde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (de Wgb) is bepaald dat de minister van LVN belast is met het verstrekken van informatie als bedoeld in artikel 67, eerste lid, derde tekstblok, van de Verordening. Zij is van oordeel dat hieruit volgt dat de minister is aangewezen als de bevoegde autoriteit die is belast met het nemen van besluiten op verzoeken om toegang tot informatie als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de Verordening. Of andere bestuursorganen, zoals eisers stellen, ook informatie uit de registers dienen te verstrekken doet niet ter zake. Zij hebben hun verzoek nu eenmaal onder meer ingediend bij de minister en ook de besluiten op hun verzoek zijn afkomstig van de minister. Daarmee ligt in deze beroepsprocedure ter beoordeling voor of de minister die belast is met verstrekken van informatie uit de registers van professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen op goede gronden tot afwijzing van het verzoek van eisers is gekomen.
De toepassing van de Woo
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht met toepassing van de Woo in samenhang met de Verordening heeft besloten op het verzoek van eisers. Daartoe is van belang dat artikel 67, eerste lid, derde alinea, van de Verordening tegen de achtergrond van de nationale procedurele autonomie van lidstaten bepaalt dat de bevoegde autoriteiten overeenkomstig het toepasselijke nationale of Gemeenschapsrecht toegang tot de informatie in de registers verstrekken. Uit de wetsgeschiedenis van een wijziging van de Wgb blijkt dat de wetgever heeft beoogd dat verzoeken om toegang tot informatie als bedoeld in artikel 67 van de Verordening door de minister worden beoordeeld volgens de kaders van artikel 67 van de Verordening en de Wet openbaarheid van bestuur (de Wob). [4] De Wob is hierop met ingang van 1 mei 2022 vervangen door de Woo.
Is de minister bevoegd om de informatie uit de registers opvragen?
9. Eisers betogen dat de informatie uit het register waar hun verzoek op ziet, niet bij de minister berust en daar ook niet had behoren te berusten als bedoeld in de Woo. Dit betekent volgens hen dat de minister op grond van de Woo niet bevoegd is om naar aanleiding van een verzoek om toegang tot informatie uit een register over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die informatie te vorderen bij de professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen op wiens register het verzoek van eisers ziet. De rechtbank begrijpt het verdere betoog van eisers zo dat zij stellen dat de Verordening, anders dan de Woo, wel voorziet in deze bevoegdheid en dat de Woo om die reden het recht op toegang tot informatie uit artikel 67 van de Verordening frustreert.
10. De rechtbank overweegt dat op grond van de Woo kan worden verzocht om de verstrekking of openbaarmaking van publieke informatie die is neergelegd in documenten die bij een bestuursorgaan berusten. [5] Ingevolge de Woo vordert een bestuursorgaan enkel informatie bij een ander indien deze informatie op grond van enig wettelijk voorschrift bij het bestuursorgaan had behoren te berusten. [6] In de totstandkomingsgeschiedenis van de Woo zijn als voorbeelden van deze wettelijke voorschriften genoemd: archiefregelgeving, niet nageleefde verplichtingen om bepaalde informatie aan de overheid te verstrekken in het kader van een toezichtrelatie of de verantwoording van een bekostiging. [7]
10.1.
De rechtbank volgt het betoog van eisers, welk betoog ook door de minister wordt gehouden, dat ten aanzien van de informatie in de registers van professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen niet geoordeeld kan worden dat deze op grond van enig wettelijk voorschrift bij de minister had behoren te berusten. Daartoe overweegt zij dat op grond van artikel 67, eerste lid, van de Verordening de verplichting tot het bijhouden van een register over gewasbeschermingsmiddelen bij de professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen ligt. Dit betekent dat de informatie uit een register over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in beginsel enkel aanwezig is en hoort te zijn bij de professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen op wie de verplichting tot het bijhouden van het register rust. Uit de Verordening en de Wgb kan, in aanvulling hierop, niet worden afgeleid dat informatie uit een register van een gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen in algemene zin ook bij de minister aanwezig hoort te zijn. Dit is mogelijk anders als ten tijde van het verzoek om verstrekking van informatie uit een register van een professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen sprake is van niet nageleefde verplichtingen om informatie uit dat register aan de minister te verstrekken in het kader van een toezichtrelatie. Niet in geschil is dat ten aanzien van de gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen tot wiens register eisers om toegang hebben verzocht geen toezichtbevoegdheden zijn uitgeoefend door of namens de minister.
11. Naar het oordeel van de rechtbank laat het voorgaande onverlet dat de nationale wetgeving die de procedure vaststelt waarbinnen het inzagerecht uit artikel 67 van de Verordening wordt uitgeoefend, dient te voldoen aan de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en effectieve rechtsbescherming. [8] De rechtbank is van oordeel dat de Woo, in het bijzonder artikel 4.2, tweede lid, niet voorziet in een doeltreffende wijze van uitoefenen van het inzagerecht uit artikel 67, eerste lid, van de Verordening, omdat de Woo het uitoefenen van het inzagerecht als bedoeld in de Verordening niet mogelijk maakt. De bevoegdheid tot het vorderen van informatie door een bestuursorgaan is in de Woo immers voorbehouden aan publieke informatie in documenten die bij het bestuursorgaan berusten of hadden behoren te berusten op grond van enig wettelijk voorschrift. Echter, daarvan is, zoals onder rechtsoverweging 10.1 al is overwogen, ten aanzien van de informatie in de registers van gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen geen sprake: deze informatie berust immers niet bij de minister en had daar ook niet behoren te berusten.
12. Artikel 67, eerste lid, tweede alinea, van de Verordening voorziet, naar het oordeel van de rechtbank, anders dan de Woo in een grondslag waaraan de minister in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit de bevoegdheid ontleent om een professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen te verzoeken om relevante informatie uit diens register over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ter beschikking te stellen indien derde partijen, zoals de drinkwaterindustrie, detailhandelaars of omwonenden een verzoek om toegang tot deze informatie doen aan de minister. Het begrip relevante informatie uit de registers omvat hierbij, gelet op de formulering van artikel 67, eerste lid, tweede alinea, naar het oordeel van de rechtbank de informatie waarop het verzoek om toegang van een derde partij ziet. Deze bepaling uit de Verordening heeft, zoals eisers terecht stellen, rechtstreekse toepassing in de Nederlandse rechtsorde. [9] Niet in geschil is dat de informatie die is opgenomen in de registers van professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen milieu-informatie betreft over emissies in het milieu als bedoeld in artikel 5.1, zevende lid, van de Woo en dat dergelijke informatie niet kan worden geweigerd.
12.1.
Artikel 5.1, zevende lid, van de Woo betreft een implementatie van de Richtlijn 2003/4/EG [10] over de toegang van het publiek tot milieu-informatie, zoals ook is neergelegd in het Verdrag van Aarhus. [11] In de Richtlijn 2003/4/EG is in dit verband overwogen dat – een verruimde – toegang van het publiek tot milieu-informatie en verspreiding van die informatie bijdraagt aan een verhoogd milieubewustzijn, een vrije gedachtewisseling, een doeltreffender deelneming van het publiek aan de milieubesluitvorming en, uiteindelijk, tot een beter milieu. Ook overweegt de rechtbank in dit verband dat het in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (het EVRM) opgenomen recht op privé- en familieleven met zich kan brengen dat op overheidsinstanties een positieve verplichting rust om informatie over -schade aan- het milieu met burgers delen. Zodat zij daarmee in staat worden gesteld gezondheidsafwegingen te maken. [12]
13. Naar het oordeel van de rechtbank houdt de Verordening, anders dan de minister stelt, niet in dat de bevoegdheid van de bevoegde autoriteit om de professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen te verzoeken om informatie uit diens register ter beschikking te stellen enkel is gegeven ten behoeve van het uitoefenen van controle van overheidswege op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen; zij regelt ook niet dat derde partijen enkel -succesvol- kunnen verzoeken om toegang tot informatie uit de registers die ten behoeve van het uitoefenen van controle op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen reeds beschikbaar is gesteld aan een bevoegde autoriteit of andere overheidsorganen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
13.1.
De algemene doelstelling van de Verordening betreft onder meer het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren. [13] Over het doel van de registers over gewasbeschermingsmiddelen bepaalt overweging 44 van de Verordening meer in het bijzonder dat deze zijn ingesteld om het niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te verhogen door de traceerbaarheid van mogelijke blootstellingen te verzekeren, doeltreffendheid van het toezicht en de controle te verbeteren en de kosten van de bewaking van de waterkwaliteit te beperken. Daarbij volgt uit overweging 35 van de Verordening dat om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te waarborgen van belang is dat gewasbeschermingsmiddelen op de juiste wijze en met inachtneming van de bepalingen uit de Verordening worden ingezet.
13.2.
Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat is beoogd met artikel 67, eerste lid, van de Verordening te voorzien in een algemene toegang tot informatie uit de registers van gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen voor ten minste de in dit artikel genoemde derde partijen; ook wordt daarmee voorzien in de bevoegdheid van de bevoegde autoriteit om aan een professionele gebruiker te verzoeken om die informatie beschikbaar te stellen indien een verzoek om toegang tot die informatie is gedaan door ten minste een derde partij. Het verhogen van de gezondheid van mens, dier en milieu door middel van onder meer de traceerbaarheid van blootstellingen aan gewasbeschermingsmiddelen te verzekeren en de doeltreffendheid van het toezicht en controle te verbeteren is gebaat bij een toegang tot de informatie in de registers van onder meer professionele gebruikers. Die moet dan meer omvatten dan enkel de gevallen waarin concrete aanleiding bestaat om van overheidswege toezichtbevoegdheden aan te wenden om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en mogelijk in dat verband begane overtredingen te onderzoeken. Daarbij is van belang dat uit de Verordening niet expliciet blijkt dat de controlerende functie van de toegang tot de registers is voorbehouden aan controle van overheidswege. Dat artikel 67, eerste lid, van de Verordening is ondergebracht in hoofdstuk VIII met de titel “controles”, betekent daarom dat de bevoegdheid van de bevoegde autoriteit om een verzoek te doen om informatie uit de registers is bedoeld om derde partijen toegang te geven tot informatie in de registers van professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen. Derde partijen, zoals omwonenden van percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, worden met de verstrekking van informatie uit de registers in staat gesteld te controleren in hoeverre gewasbeschermingsmiddelen zijn ingezet in hun fysieke leefomgeving; dit stelt hen in staat tot het maken van gezondheidsoverwegingen.
13.3.
Dat, zoals de minister stelt, geen concrete aanleiding bestaat om toezichtbevoegdheden aan te wenden ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door de professionele gebruiker op wiens register het verzoek van eisers ziet, doet daarom niet af aan het bestaan van de bevoegdheid van de minister om de professionele gebruiker te verzoeken om informatie uit dat register over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beschikbaar te stellen aan de minister.
14. De rechtbank komt, gelet op al het hiervoor overwogene, tot de conclusie dat in artikel 4.2, tweede lid, van de Woo noch in enig andere bepaling in de Woo het inzagerecht als bedoeld in artikel 67 van de Verordening is geregeld, omdat op grond van de Woo geen inzage kan worden verkregen in informatie die niet bij de minister berust en daar ook niet had behoren te berusten. Daarmee komt de Woo niet tegemoet aan de volle werking en het nuttig effect van artikel 67, eerste lid, tweede alinea, van de Verordening. De rechtbank is eveneens van oordeel dat de minister, gelet op de beginselen van loyale samenwerking en effectieve rechtsbescherming, op grond van artikel 67, eerste lid, van de Verordening en nu vast staat dat sprake is van milieu-informatie, is gehouden om naar aanleiding van het verzoek van eisers toepassing te geven aan artikel 67, eerste lid, tweede alinea, van de Verordening door de informatie waarom eisers hebben verzocht te verstrekken. Dit houdt in dat de minister de professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen dient te verzoeken om de door eisers gevraagde informatie uit het register aan de minister ter beschikking te stellen. [14] Het betoog van de minister dat het niet gaat om relevante informatie als bedoeld in artikel 67 van de Verordening, wordt niet door de rechtbank gedeeld. Het gaat om milieu-informatie, waarmee naar het oordeel van de rechtbank, onder verwijzing naar de overwegingen daarover in deze uitspraak, de relevantie gegeven is.
15. Het betoog van eisers slaagt.
Prejudiciële vragen
16. Eisers hebben op de zitting verder verzocht om meerdere prejudiciële vragen te stellen over de omvang van het recht op toegang tot informatie uit artikel 67, eerste lid, van de Verordening. Gelet op het in overweging 7. tot 15. overwogene is de rechtbank van oordeel dat de beantwoording van de door eisers opgeworpen vragen door het Hof niet noodzakelijk is voor het oordeel in deze zaak. Om die reden bestaat geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. [15]
De redelijke termijn
17. Eisers hebben onder verwijzing naar artikel 6 van het EVRM verzocht om een immateriële schadevergoeding vanwege de lange duur van de procedure.
17.1.
De rechtbank overweegt dat het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 6 van het EVRM met zich brengen dat een geschil binnen een redelijke termijn dient te worden beslecht. De redelijke termijn voor een bezwaarprocedure en een rechterlijke instantie bedraagt twee jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. [16]
17.2.
Eisers hebben bij e-mail van 7 november 2022 bezwaar gemaakt. In het besluit op bezwaar geeft de minister aan het bezwaarschrift diezelfde dag te hebben ontvangen. Deze uitspraak is van 12 januari 2026. De redelijke termijn is daarom met afgerond vijftien maanden overschreden.
17.3.
Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, bedraagt het aan elk van eisers toe te kennen bedrag in beginsel € 1.500,-. De rechtbank ziet evenwel in de omstandigheid dat eisers gezamenlijk beroep hebben ingesteld aanleiding dit bedrag te matigen in die zin dat zij aan elk van eisers 50% van dit bedrag toekent. Dit acht de rechtbank redelijk vanwege de matigende invloed die het instellen van gezamenlijke beroepen heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die eisers hebben ondervonden vanwege de te lang durende procedure. [17]
17.4.
De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep mag ten hoogste anderhalf jaar duren. De overschrijding van de redelijke termijn met vijftien maanden is in deze zaak geheel gelegen in de rechterlijke fase. Gelet hierop veroordeelt de rechtbank de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade aan elk van eisers van € 750,-.

Conclusie en gevolgen

18. De rechtbank is van oordeel dat de minister het verzoek van eisers ten onrechte heeft afgewezen onder verwijzing naar de Woo. Het beroep is om die reden gegrond. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister, met inachtneming van de Verordening en hetgeen daarover is overwogen in deze uitspraak, een nieuw besluit op het bezwaar van eisers dient te nemen. De rechtbank geeft de minister hiervoor twaalf weken.
18.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen zij ook een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van
€ 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en heeft aan twee zittingen van de rechtbank deelnomen (1,5 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal
€ 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit op bezwaar van 21 februari 2023;
  • draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 750,- aan schadevergoeding aan [eiseres] ;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 750,- aan schadevergoeding aan [eiser] ;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184,- aan eisers moet vergoeden;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mr. N.M. van Waterschoot en mr. dr. A.M. Klingenberg, leden, in aanwezigheid van mr. D.A. Bekking, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117 EEG en 91/414/EEG van de Raad.
2.Zie de artikelen 2.1 en 4.2, tweede lid, van de Wet open overheid (de Woo).
3.Zie artikel 5:13 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).
5.Zie artikel 2.1 en artikel 4.1, eerste lid, van de Woo.
6.Zie artikel 4.2, tweede lid, van de Woo.
8.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Rewe) van 16 december 1976, ECLI:EU:C:1976:188.
9.Zie artikel 288 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (het VWEU).
10.Zie de Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad.
11.Zie het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden.
12.Zie bijvoorbeeld het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Guerra) van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD001496789.
13.Zie artikel 1, derde lid, van de Verordening.
14.Zie artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
15.Zie ook de arresten van het HvJEU van 6 oktober 1982 (Cilfit) ECLI:EU:C:1982:335 en 6 oktober 2021 (Consorzio Italian Management), ECLI:EU:C:2021:799.
16.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:155.
17.Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:245.