ECLI:NL:RBNNE:2026:1232

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
26/637
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbTitel III FaillissementswetArt. 288 Faillissementswet
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen blokkering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting

Verzoekers, recent toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp), ontvingen bijstand en bijzondere bijstand. Het college blokkeerde de bijstand vanaf 1 januari 2026 omdat verzoeker zonder melding werkzaamheden verrichtte in de pizzeria van zijn zoon.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang, maar dat het college terecht vermoedt dat verzoeker zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Verzoeker kon de omvang en ingangsdatum van zijn werkzaamheden niet aannemelijk maken, waardoor het college het recht op bijstand niet schattenderwijs kon vaststellen.

Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is bindend voor de voorlopige fase en staat geen hoger beroep toe.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de blokkering van de bijstand wordt afgewezen wegens schending van de inlichtingenverplichting.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/637

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2026 in de zaak tussen

[naam 1 en naam 2 uit woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. H.L. Thiescheffer ),
en

het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen, het college

(gemachtigde: B. Wiersma ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Het college heeft met het bestreden besluit van 11 februari 2026 betaling van de algemene en bijzondere bijstand vanaf 1 januari 2026 geblokkeerd.
1.2.
Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorziening te treffen.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoekers ontvangen sinds 17 oktober 2023 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) en vanaf 1 november 2023 bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering.
2.1.
Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoekers naar verwachting geen recht meer hebben op bijstand of op een lager bedrag. Uit onderzoek van het college is gebleken dat verzoeker vanaf december 2025 vrijwel dagelijks heeft gewerkt in de pizzeria van zijn zoon.
3. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [1]
3.1.
In deze zaak is voldoende gebleken van een actueel spoedeisend belang. Verzoekers hebben dat belang zo toegelicht dat zij recent zijn toegelaten tot de Wsnp [2] op grond van de hardheidsclausule. [3] Zij dienen er onder meer voor te zorgen dat er geen nieuwe schulden ontstaan.
4. Het blokkeren of stopzetten van de betaling van bijstand is rechtmatig indien het bijstandverlenend orgaan op goede gronden van oordeel is, althans ten minste het gegronde vermoeden kan hebben, dat een betrokkene geen recht (meer) heeft op een (volledige) bijstandsuitkering. Als regel zal daartoe aanleiding bestaan als uit onderzoek gegevens bekend worden die erop duiden dat een betrokkene zijn wettelijke inlichtingenverplichting niet of niet volledig is nagekomen, maar nog onvoldoende grondslag bestaat om al tot herziening of intrekking van de bijstand over te gaan. [4]
4.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter stelt het college terecht dat verzoeker de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn werkzaamheden voor de pizzeria van zijn zoon. Niet in geschil is dat verzoeker werkzaamheden heeft verricht. Het college heeft het onderzoek naar de omvang en ingangsdatum daarvan nog niet afgerond.
5. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Dit is vaste rechtspraak. [5]
5.1.
Verzoeker heeft aangevoerd dat zijn werkzaamheden beperkt en gering van omvang zijn, zodat slechts een beperkt gedeelte van zijn bijstandsuitkering had kunnen worden opgeschort.
5.2.
In zijn wisselende verklaringen in het gesprek op 10 februari 2026 met de toezichthouders van het college heeft verzoeker de omvang van zijn werkzaamheden en de ingangsdatum niet aannemelijk gemaakt. Zo heeft hij verklaard dat hij veertig à vijftig uur per maand kan werken bij de pizzeria van zijn zoon. Hij heeft ook verklaard dat hij naast zijn werkzaamheden bij [organisatie] geen andere werkzaamheden heeft verricht. In de derde plaats heeft hij verklaard dat hij één of twee keer heeft proefgedraaid met tussenpozen van zo’n tien dagen. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij minstens vier keer per week en soms wel zes keer per week enkele uren werkzaamheden heeft verricht. Als ingangsdatum heeft hij 1 november 2025 genoemd, terwijl vaststaat dat verzoeker toen niet in Nederland was. Daarom is vooralsnog aannemelijk dat het college het recht op bijstand niet schattenderwijs vast heeft kunnen stellen.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
2.Wet schuldsanering natuurlijke personen als bedoeld in Titel III van de Faillissementswet (Fw).
3.Artikel 288, derde lid, van de Fw.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1147.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak de CRvB van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.