ECLI:NL:CRVB:2011:BR1147
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging blokkering bijstandsuitkering wegens bezit onroerend goed in buitenland
Appellant ontving sinds 1997 bijstand en werd in 2008 geconfronteerd met een blokkering van zijn uitkering nadat uit onderzoek bleek dat hij eigenaar was van een woning in Marokko ter waarde van ongeveer €55.000. Het College had hem niet geïnformeerd over dit bezit, wat een schending van de inlichtingenverplichting vormt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de blokkering ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat een blokkering niet geoorloofd is zonder zekerheid dat geen recht op bijstand meer bestaat en dat het College onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn vermogen.
De Raad oordeelde dat voor een blokkering niet vereist is dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststaat dat het recht op bijstand vervalt, maar dat een gegrond vermoeden volstaat. Gezien het rapport van de Nederlandse ambassade en het taxatierapport kon het College redelijkerwijs vermoeden dat appellant beschikte over voldoende vermogen om geen recht meer te hebben op bijstand.
Daarom was de blokkering gerechtvaardigd en hoefde het College geen nader onderzoek te verrichten. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De blokkering van de bijstandsuitkering wegens het bezit van onroerend goed in het buitenland wordt bevestigd.