Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1208

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
LEE 25/1734
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35d SWArt. 26 IW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging aanslag schenkbelasting wegens toepassing bedrijfsopvolgingsregeling op gehele verkrijging

Eiseres kreeg op 15 december 2020 een schenking van 600 certificaten aandelen in een BV van haar moeder, onder een tegenprestatie en met een glijclausule. De BV had vijf jaar voorafgaand aan de schenking een onderneming gedreven en het belang van de moeder in de BV nam toe door een aandeleninkoop van 20,5% door de BV.

De inspecteur legde een aanslag schenkbelasting op over de procentuele toename van het belang, stellende dat de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) niet op dat deel van toepassing was. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat aan de bezitsvereisten van artikel 35d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Successiewet 1956 was voldaan voor de gehele verkrijging.

De rechtbank oordeelde dat de bezitsvereisten inderdaad waren vervuld, ook voor de procentuele toename, omdat de moeder de certificaten meer dan vijf jaar in bezit had en de BV ongewijzigd een onderneming dreef. De totstandkomingsgeschiedenis en recente jurisprudentie ondersteunen deze uitleg. De aanslag werd daarom vernietigd en de inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de aanslag schenkbelasting omdat de bedrijfsopvolgingsregeling van toepassing is op de gehele verkrijging, inclusief de procentuele toename van het belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1734

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[Y] , uit [Z] , eiseres

(gemachtigde: drs. H. Hoeve),
en
de inspecteur van de Belastingdienst / Kantoor Zwolle, de inspecteur
(gemachtigde: [gemachtigde inspecteur] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 28 april 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiseres een aanslag in de schenkbelasting van € 52.501 opgelegd (de aanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met de beroepen met zaaknummers LEE 25/1735 en 25/1736, op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens de inspecteur zijn gemachtigde, bijgestaan door [persoon 1] en [persoon 2] .

Feiten

2.
2.1.
Op 15 december 2020 heeft de moeder van eiseres (de moeder) zeshonderd certificaten van aandelen A (de Certificaten) in [H BV] (de BV) aan eiseres geschonken (de schenking). De schenking heeft plaatsgevonden onder de last tot het betalen van een tegenprestatie van 16,1% van de waarde van de Certificaten. De schenkingsakte bevat een glijclausule (de glijclausule), op grond waarvan de tegenprestatie onder bepaalde omstandigheden kan worden verhoogd.
2.2.
Het vermogen van de BV bestond ten tijde van de schenking volledig uit ondernemingsvermogen als bedoeld in de regeling voor bedrijfsopvolging (de BOR) van hoofdstuk IIIA van de Successiewet 1956 (SW). De BV dreef bovendien haar onderneming zowel ten tijde van de schenking als gedurende vijf jaren voorafgaande aan de schenking.
2.3.
De Certificaten behoorden gedurende vijf jaren tot de schenking tot een aanmerkelijk belang van de moeder in de BV. Tot 17 oktober 2018 vertegenwoordigden de Certificaten een belang in de BV van 6%. Op 17 oktober 2018 heeft de BV 20,5% eigen aandelen A, die werden gehouden door een broer van eiseres, ingekocht (de inkoop) onder schuldigerkenning van de tegenprestatie. Als gevolg van de inkoop is het belang in de BV dat de Certificaten vertegenwoordigden, toegenomen tot (afgerond) 7,55% (6 % / (100 % -/- 20,5 %)). Deze toename met 1,55 procentpunt zal de rechtbank hierna ook aanduiden als ‘de procentuele toename’. Ook op het moment van de schenking vertegenwoordigden de Certificaten dit belang in de BV van 7,55%.
2.4.
De inspecteur heeft ter zake van de schenking de aanslag opgelegd. Daarbij heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de BOR van toepassing is, behalve voor zover het gaat om de procentuele toename. Dat standpunt leidt volgens de aanslag tot een belaste verkrijging van € 325.870, waarover in totaal € 52.501 schenkbelasting is berekend.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur ter zake van de schenking terecht de aanslag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag ten onrechte is opgelegd en dus moet worden vernietigd
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Afbakening van het geschil
5. Tussen partijen is in geschil of de BOR op de schenking van toepassing is voor het geheel van de verkrijging. Het geschil spitst zich toe op de vraag of voor het geheel van de verkrijging is voldaan aan de vereisten van artikel 35d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de SW (de bezitsvereisten). Eiseres meent van wel. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat voor de procentuele toename niet aan de bezitsvereisten is voldaan.
6. Als de rechtbank oordeelt dat voor de procentuele toename aan de bezitsvereisten is voldaan, is niet in geschil dat de BOR toepassing vindt op de schenking voor het geheel van de verkrijging en dat dan de aanslag moet worden vernietigd.
7. Als de rechtbank oordeelt dat voor de procentuele toename niet aan de bezitsvereisten is voldaan, beroept eiseres zich subsidiair de glijclausule (zie 2.1).
Juridisch kader bezitsvereisten
8. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 35d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de SW volgt dat voor toepassing van de BOR op een schenking van (certificaten van) aanmerkelijkbelangaandelen is vereist dat (1) de schenker deze (certificaten van) aandelen ten minste vijf jaren voorafgaande aan de schenking onafgebroken in bezit heeft gehad (directebezitstermijn), en (2) dat de vennootschap waarvan de (certificaten van) aandelen worden geschonken ten minste vijf jaren een onderneming heeft gedreven (indirectebezitstermijn). [1]
9. Tot de invoering van de BOR in de SW was een vergelijkbare faciliteit opgenomen in artikel 26 van Pro de Invorderingswet 1990 (IW). In (aanvankelijk) het vijfde lid van artikel 26 van Pro de IW was een directebezitstermijn opgenomen die inhoudelijk overeenkomt met de directebezitstermijn van artikel 35d van de SW. In de parlementaire geschiedenis is artikel 26, vijfde lid, van de IW als volgt toegelicht:
“Ter voorkoming van oneigenlijk gebruik dient voor de kwijtschelding van schenkingsrecht ook een eis gesteld te worden aan de periode voorafgaande aan de schenking van de onderneming gedurende welke (…) de schenker het in het kader van bedrijfsopvolging overgaande aanmerkelijk-belangaandelenpakket heeft gehouden. Een oneigenlijk gebruik van de regeling zou erin kunnen bestaan dat iemand aanmerkelijk-belangaandelen koopt om deze aandelen binnen korte tijd in plaats van contanten ter besparing van schenkingsrecht aan zijn kinderen te schenken.” [2]
10. In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 35d van de SW is onder meer het volgende opgemerkt:
“De bezitseis is aan de ene kant bedoeld om één element van de te faciliteren reële bedrijfsopvolging te definiëren; er is alleen sprake van een bedrijfsopvolging indien de onderneming enige tijd door de (…) schenker werd gedreven. Aan de andere kant heeft de bezitstermijn ook een anti-misbruikkarakter. Dit betekent dat de bezitseis materieel moet worden ingevuld. (…) Evenmin bestaat reden om de faciliteit te verlenen indien gedurende de referentieperiode de aandelen van de schenker (…) zijn omgezet in preferente aandelen. Het is uitdrukkelijk de bedoeling van de bedrijfsopvolgingsregeling alleen in reële gevallen de faciliteiten te verlenen. Dit betekent dat de schenker (…) gedurende de bezitstermijn een «echte ondernemer» moet zijn geweest. Dit is hij alleen indien hem ten aanzien van zijn aandelenpakket alle rechten op de winst toekomen. Dit betekent dus zowel alle vermogensmutaties van als alle inkomsten uit de aandelen de schenker (…) moeten toekomen (…). Indien aan de eis van «echt ondernemerschap» is voldaan en de aandelen worden vervolgens in het kader van een bedrijfsopvolging omgezet in preferente aandelen, is het niet zo dat de referentieperiode opnieuw gaat lopen. Materieel is immers aan de bezitstermijn voldaan.” [3]
Beoordeling bezitsvereisten
11. De rechtbank is van oordeel dat voor het geheel van de verkrijging is voldaan aan de bezitsvereisten, dus ook voor de procentuele toename. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Artikel 35d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de SW vereist naar de letter van de wet in dit geval ten eerste dat de moeder ten tijde van de schenking gedurende vijf jaren in het bezit is geweest van de geschonken Certificaten. Aan dat vereiste is voldaan en de inkoop van de aandelen door de BV heeft daarin geen verandering gebracht: de moeder heeft eenvoudigweg zeshonderd certificaten aan eiseres geschonken die zij al (meer dan) vijf jaar in bezit had en die bij de moeder al die tijd tot een aanmerkelijk belang hebben behoord. Deze bepaling vereist naar haar letter in dit geval ten tweede dat de BV ten minste vijf jaren een onderneming heeft gedreven. Ook aan dit vereiste is voldaan en ook daarin heeft de inkoop van de aandelen door de BV geen verandering gebracht.
12. De rechtbank ziet in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 35d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de SW geen overtuigende argumenten om in dit geval een uitleg aan die bepaling te geven die afwijkt van de letterlijke tekst ervan. De rechtbank leidt uit die geschiedenis af dat de bezitsvereisten ten eerste zijn bedoeld om alleen reële bedrijfsopvolgingen te faciliteren en om (ten dele) te definiëren wanneer er van zo’n reële bedrijfsopvolging sprake is. Dat daarvan in dit geval sprake is, lijdt naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel. De moeder was een echte ondernemer die dezelfde onderneming dreef in de vijf jaren voor de schenking. Aan de rechten van de houder van de Certificaten is ook niet ‘gesleuteld’ in die periode. De bezitsvereisten zijn verder bedoeld om misbruik te bestrijden. Daarbij heeft de wetgever specifiek het oog gehad op het binnen korte tijd omzetten van vermogen van de schenker dat anders alleen belast zou kunnen worden geschonken in ondernemingsvermogen dat vervolgens onbelast kan worden geschonken. Tussen partijen is terecht niet in geschil dat van dergelijk misbruik in dit geval geen sprake is. Verder geeft de wetsgeschiedenis geen concrete aanwijzingen over de eventuele gevolgen van een inkoop van aandelen door de BV voor de toepassing van de bezitsvereisten.
13. De rechtbank ziet ook in het door de inspecteur aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 30 januari 2026 [4] geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit rechtsoverweging 5.1.3 van dat arrest volgt dat een nieuwe indirectebezitstermijn gaat lopen als een vennootschap waarvan de aandelen worden geschonken is gerechtigd tot een evenredig deel van een onderneming en die gerechtigdheid wordt uitgebreid, in de zin dat het procentuele belang in die onderneming groter wordt. Een autonome uitbreiding van de onderneming terwijl
de vennootschapdaarin een even groot belang blijft houden, leidt evenwel niet tot de start van een nieuwe indirectebezitstermijn (voor die uitbreiding). Deze rechtsoverweging ziet op het geval waarin de vennootschap waarvan de aandelen worden geschonken, op haar beurt zelf weer een belang heeft in een andere vennootschap en dát belang groter wordt. Dan wordt dus het
indirectebelang in de onderneming uitgebreid en dat strookt niet met het antimisbruikkarakter van de BOR. Dat speelt hier echter niet. Uit het arrest volgt niet dat ook een nieuwe directe- of indirectebezitstermijn gaat lopen als de schenker (zoals in dit geval moeder) een
directbelang heeft in de vennootschap (zoals in dit geval de BV) en dat directe belang in díe vennootschap procentueel bezien groter wordt, zonder dat de gerechtigdheid in absolute zin is gewijzigd en zonder dat de BV haar gerechtigdheid tot de onderneming heeft uitgebreid. Anders gezegd: dezelfde 600 Certificaten vertegenwoordigden ten tijde van de schenking weliswaar een procentueel groter belang in de BV, maar de (materiële) onderneming van de BV was niet gewijzigd.
14. De rechtbank overweegt afsluitend dat zij voor de uitleg van de bezitsvereisten in deze zaak, anders dan de inspecteur kennelijk wenst, geen acht slaat op (de totstandkomingsgeschiedenis van) de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025. Die wet gold op 15 december 2020 niet en daaraan is - voor zover hier van belang - ook geen terugwerkende kracht toegekend. Bovendien zijn uitlatingen van de (mede)wetgever in het kader van de (latere) behandeling van een wetsvoorstel dat ook over de BOR gaat, geen argument voor een bepaalde uitleg van de bezitsvereisten zoals die op 15 december 2020 golden. [5]
Slotsom
15. Het voorgaande brengt mee dat de BOR toepassing vindt op de schenking voor het geheel van de verkrijging. De aanslag moet worden vernietigd. Aan de subsidiaire beroepsgrond inzake de glijclausule komt de rechtbank niet toe.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de aanslag.
17. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Eiseres heeft op de zitting haar verzoek om vergoeding van de werkelijke proceskosten uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. Partijen zijn het op de zitting eens geworden dat de (forfaitaire) proceskostenvergoeding moet worden berekend op € 2.534, dat de zaken met de nummers LEE 25/1734 tot en met 25/1736 met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht en dat dus aan eiseres een derde van die vergoeding toekomt, oftewel € 844,67.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de aanslag schenkbelasting;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden; en
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 844,67 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.T.M. Hennevelt, voorzitter, en mr. M. Sanna en mr. A. Heidekamp, leden, in aanwezigheid van mr. T.R. Bontsema, griffier.
griffier
voorzitter
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:137, r.o. 5.1.1.
2.Kamerstukken II 1997/98, 25 688, nr. 3, blz. 8.
3.Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 103.
4.Hoge Raad 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:137.
5.Vgl. Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:867, r.o. 2.4.5.