De rechtbank Noord-Nederland behandelde het verzoek van een schuldeiser tot verlenging van de looptijd van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) en het onthouden van de schone lei aan de schuldenaar. De WSNP was eerder voor 18 maanden vastgesteld en liep formeel af op 20 september 2025. De schuldeiser stelde dat de schuldenaar toerekenbaar tekort was geschoten in haar verplichtingen, onder meer door onwaarachtige verklaringen over een vordering en inkomen van haar echtgenoot.
De rechtbank oordeelde dat deze gedragingen zich voordeden vóór de WSNP en reeds in eerdere procedures waren beoordeeld. De beoordeling richtte zich daarom uitsluitend op de nakoming van verplichtingen tijdens de WSNP. De bewindvoerder en rechter-commissaris constateerden geen tekortkomingen. De rechtbank vond het verzoek tot verlenging van de looptijd niet gegrond, omdat geen sprake was van toerekenbaar tekortschieten of andere wettelijke gronden.
Gezien de lopende cassatieprocedures over tussentijdse beëindiging van de WSNP en de mogelijke gevolgen voor de schuldeisers, besloot de rechtbank de beslissing over het verlenen van de schone lei aan te houden voor zes maanden. Dit om de uitkomst van de procedures af te wachten, waarbij de belangen van schuldeiser en schuldenaar zorgvuldig worden afgewogen.
De rechtbank wees het verzoek tot verlenging van de looptijd af en benadrukte dat met het verstrijken van de looptijd ook de verplichtingen uit de WSNP eindigen, hoewel de formele beëindiging pas volgt na het verbindend worden van de slotuitdelingslijst. De schuldenaar blijft verplicht medewerking te verlenen aan een doelmatige afwikkeling van de schuldsanering.