Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1164

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
18.316677.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het teweegbrengen van explosie met zwaar vuurwerk op balkon

Op 22 november 2025 heeft verdachte op het balkon van de woning van het slachtoffer een stuk zwaar vuurwerk, vermoedelijk een Cobra 6, tot ontploffing gebracht. Dit veroorzaakte aanzienlijke schade aan de balkondeur en het raam, waarbij glasscherven in de woning terechtkwamen. Ten tijde van de explosie waren drie personen aanwezig in de woning, waaronder het slachtoffer.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte opzettelijk de explosie heeft veroorzaakt, waarbij gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Het levensgevaar achtte de rechtbank niet bewezen, omdat dit niet voorzienbaar was volgens algemene ervaringsregels.

De rechtbank nam in haar oordeel mee dat er een langdurig conflict bestond tussen verdachte en het slachtoffer, en dat verdachte bekend was met de aanwezigheid van het slachtoffer in de woning. De reclassering rapporteerde over een belastende levensgeschiedenis van verdachte, met verslavingsproblematiek, maar ook over zijn bereidheid tot behandeling.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan de uitvoering werd opgeschort onder voorwaarden, waaronder een taakstraf van 240 uur, meldplicht bij de reclassering, behandeling voor verslaving en psychosociale problemen, verblijf in begeleid wonen, een contactverbod met het slachtoffer en controles op middelengebruik.

De straf weerspiegelt de ernst van het feit, het gevaar voor de aanwezigen in de woning en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden en een taakstraf van 240 uur wegens het veroorzaken van een explosie met zwaar vuurwerk met gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.316677.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 maart 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.W. Delhaye, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H. Veltkamp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 22 november 2025 te Sneek opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een stuk (zwaar) vuurwerk, althans een explosief voorwerp, aan te steken en/of (vervolgens) op/bij het balkon van de woning, gelegen aan de [adres] , te gooien en/of leggen, waarna voornoemd stuk (zwaar) vuurwerk, althans het
explosieve voorwerp, aldaar tot ontploffing is gekomen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voor het raam en/of de deur
van het balkon en/of een of meer andere onderdelen (aan de buitenkant) van die woning en/of de (direct achter het raam en/of balkon gelegen) inventaris van die woning, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
voor de (aanwezige) bewoner van die woning, [slachtoffer] , en/of voor een of meer andere aanwezigen in die woning,
te duchten was.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd ter zake het teweegbrengen van een ontploffing waarbij gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander is ontstaan.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het teweegbrengen van een ontploffing waarbij gemeen gevaar voor goederen is ontstaan. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het te duchten zijn van levensgevaar en het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander. Voor het vaststellen van het risico op levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is onvoldoende informatie voorhanden. Verdachte ontkent dat het vuurwerk een Cobra 6 is geweest. Met het gooien van het stuk vuurwerk is het voor verdachte niet voorzienbaar geweest dat dit gevaar kon ontstaan.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsoverweging
De rechtbank is van oordeel dat uit de hierna opgenomen bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 22 november 2025 een stuk zwaar vuurwerk op het balkon van aangever [slachtoffer] , wonende aan [adres] , heeft gelegd waarna deze tot ontploffing is gekomen. Als gevolg van deze ontploffing is de ruit
van de balkondeur van de woning gebroken. Er zijn glasscherven in de woning terecht gekomen. Het raam en de buitenzijde van de balkondeur waren beschadigd: de deurgreep ontbrak, het kunststof was gebroken en gescheurd en het glas in die deur was gebroken. Daarnaast waren er stukken van het kozijn afgebroken. In de woning waren in de ruimte direct achter de deur en het raam op het moment van de ontploffing drie personen aanwezig.
Levensgevaar
Om het levensgevaar voor een ander of anderen als vaststaand te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dat levensgevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest.1 Het op een balkon van een woning tot ontploffing brengen van een stuk zwaar vuurwerk op de wijze zoals in de onderhavige zaak is geschied, kan weliswaar ernstige gevolgen hebben, maar brengt niet zonder meer als voorzienbaar risico met zich dat een persoon daardoor komt te overlijden. Uit het voorliggende strafdossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat en waarom van een dergelijk gevaar sprake was. De rechtbank zal verdachte daarom van dat deel van de tenlastelegging vrijspreken.
Gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank acht wel bewezen dat door het handelen van verdachte gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was en overweegt daartoe het volgende.
Uit de aangifte en de verklaringen van getuigen volgt dat de bewoner en twee andere personen in de woning aanwezig waren ten tijde van het delict. Verdachte heeft daarnaast zelf verklaard dat hij veel gescheld, gebonk en getreiter hoorde en dat hij zijn buurman [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer] ), wilde laten schrikken. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte wist dat de bewoner thuis was.
Gelet op de kracht van de explosie en de als gevolg daarvan ontstane schade staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat het een zwaar stuk vuurwerk betrof, zoals ten laste gelegd. Tijdens het forensisch onderzoek zijn door de politie in de tuin van verdachte, gelegen onder het balkon van aangever, meerdere vuurwerksnippers aangetroffen. Uit nader onderzoek blijkt dat deze fragmenten kennelijk hebben toebehoord aan een flashbanger (knalvuurwerk) dat bekend is onder de naam Super Cobra 6. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verdachte een Cobra 6 op het balkon van aangever tot ontploffing heeft gebracht. Daarbij acht de rechtbank van belang dat ,gezien de explosie die het teweeg heeft gebracht, het tot ontploffing gebrachte vuurwerk ook past bij een Cobra 6 zoals uit de vakbijlage in het dossier blijkt. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het leggen van een brandend stuk van dergelijk professioneel knalvuurwerk op het balkon van een woning, in de wetenschap dat de bewoner op dat moment in de woning aanwezig is, het naar algemene ervaringsregels voorzienbare risico met zich mee dat een persoon daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het forensisch onderzoek van de woning blijkt, dat er delen glas in de woonkamer onder andere op de bank zijn aangetroffen en dat er door deze scherfwerking gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is geweest. Voorzienbaar was dat de bewoner en/of zijn bezoek door rondvliegend glas geraakt konden worden.
Gemeen gevaar voor goederen
De rechtbank is verder van oordeel dat het handelen van verdachte het tot ontploffing brengen van een zwaar stuk vuurwerk in de nabijheid van een balkondeur met glas bij een bovenwoning bij uitstek een situatie oplevert waarin naar algemene ervaringsregels gemeen gevaar voor goederen en onderdelen van de woning te duchten was, hetgeen zich ook heeft verwezenlijkt nu aan de woning diverse onderdelen zijn beschadigd. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van dat deel van de tenlastelegging.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde, op de wijze zoals hierna is omschreven.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 6 maart 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik heb op 22 november 2025 een stuk vuurwerk op het balkon van de woning van aangever [slachtoffer] gegooid.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 november 2025, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN1R025156 d.d. 16 januari 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Op zaterdag 22 november 2025, omstreeks 22:15 uur, was ik thuis in mijn woning aan het [adres] . Ik hoorde al dat iemand bij mijn balkon beneden aan het rommelen was. Ineens zag ik een flits en ik hoorde een keiharde knal. Ik zag allemaal glasscherven mijn woning in vliegen. Ik zag dat mijn bank onder de glasscherven zat. Mijn beide vrienden waren getuige van het voorval. Ik zag dat het gehele raam van mijn balkondeur vernield was.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 22 november 2025, opgenomen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Op zaterdag 22 november 2025 omstreeks 22.30 uur hoorde ik mijn buurman [verdachte] schreeuwen. Ik zag dat [verdachte] via de paal, die verbonden zit aan de balkonnen, omhoog klom naar het balkon op de eerste verdieping. Dit is het balkon van [adres] . Ik zag dat [verdachte] iets op het balkon neerlegde en weer naar beneden gleed via dezelfde paal. Enkele seconden later volgde een enorme knal met een lichtflits.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 23 november 2025, opgenomen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
P: [getuige 2] , ik wil je als getuige horen in verband met het incident gisterenavond bij [slachtoffer] thuis aan het [adres] . Wat kan jij hierover verklaren?
V: Ik was bij [slachtoffer] in huis. Ik zat op de bank met mijn rug tegen muurkant aan. Er was nog een jongen. Vervolgens hoorde ik achter wat, of iemand in de paal klom, dat geluid. Ik zag toen door de lamellen dat er iets op het balkon in brand werd gestoken. Ik zag dat iets werd aangestoken en dit op het balkon werd gelegd. Kort daarna hoorde en voelde ik een harde klap. Het raam werd van buiten naar binnen geslagen. Het was echt een harde klap.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict d.d. 24 november 2025 opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op zondag 23 november 2025 om 01:25 uur kwam ik, naar aanleiding van een brandstichting, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres]
In de woonkamer zag ik meerdere glasscherven liggen. Ik zag dat de ruit in de balkondeur gebroken was en dat er meerdere, losse, glasscherven in de sponning hingen. De glasscherven in de woonkamer waren, naar alle waarschijnlijkheid, afkomstig van de ruit van de balkondeur. Ik zag dat de balkondeur van kunststof was. Ik voelde dat de deur niet meer geopend kon worden. Aan de buitenzijde van de balkondeur zag ik dat deur beschadigd was, voornamelijk ter hoogte van de deurgreep. Ik zag dat de deurgreep ontbrak aan de deur. Ik zag dat het kunststof gebroken en gescheurd was. Tevens zag ik dat er stukken van het kozijn afgebroken waren. Doordat het explosief een drukgolf heeft veroorzaakt is waarschijnlijk het deurkozijn beschadigd, is het glas gebroken en zijn er glasdelen de woning in geblazen. Op het balkon zag ik meerdere glasresten. Ik heb daarom in de tuin van de onderbuurman onderzoek verricht naar mogelijke resten van een explosief en/of vuurwerk. Ik trof in de tuin van de onderbuurman, tevens verdachte, meerdere vuurwerksnippers aan die ik herkende als vuurwerksnippers die mogelijk
afkomstig zijn van een zogeheten Cobra 6.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 februari 2026 opgenomen in een los proces-verbaal van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op zaterdag 22 november 2025 omstreeks 22.25 uur heeft een explosie plaats gevonden bij een woning gelegen aan [adres] .
Collega's van de forensische opsporing hebben ter plaatse een onderzoek uitgevoerd. Zij
hadden onder andere foto's gemaakt. De collega [verbalisant] stuurde mij de betreffende foto digitaal toe met het verzoek of ik, verbalisant, kon herkennen wat voor vuurwerk het was geweest. Ik heb van [verbalisant] een foto via de mail ontvangen. Uit bestudering van deze foto is mij gebleken dat de aangetroffen en in beslag genomen fragmenten kennelijk hebben toebehoord aan een flashbanger (knalvuurwerk) dat bekend is onder de naam Super Cobra 6 met CE-nummer 0163-F4-1019.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 22 november 2025 te Sneek opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een stuk zwaar vuurwerk, aan te steken en vervolgens op het balkon van de woning, gelegen aan de [adres] , te leggen, waarna voornoemd stuk zwaar vuurwerk, aldaar tot ontploffing is gekomen, terwijl daarvan
  • gemeen gevaar voor goederen, te weten voor het raam en de deur van het balkon en andere onderdelen aan de buitenkant van die woning en de direct achter het raam en balkon gelegen inventaris van die woning, en
  • gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de aanwezige bewoner van die woning, [slachtoffer] , en voor andere aanwezigen in die woning,
te duchten was.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest. Aan het voorwaardelijk deel van de straf dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelet op de omstandigheden waaronder verdachte het feit heeft gepleegd. Verder heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de persoon van verdachte. De raadsman heeft verzocht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou het huidige hulpverleningstraject doorkruisen en financiële problemen veroorzaken wegens het verlies van inkomen.
De raadsman heeft verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden op te leggen met eventueel een taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van Reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft op 22 november 2025 een ontploffing veroorzaakt op het balkon van zijn bovenbuurman, het slachtoffer, door zwaar vuurwerk op zijn balkon te leggen en dit aan te steken. Het heeft een enorme explosie veroorzaakt en er is daardoor schade aangericht aan de raampartij en balkondeur van de woning, en gevaar veroorzaakt in de woning. Ten tijde van de ontploffing bevonden zich drie mensen in de woning. Zij zijn door het handelen van verdachte in gevaar gebracht, terwijl ze zich binnen in een woning bevonden. Een woning is juist de plek waar mensen zich bij uitstek veilig zouden moeten voelen. De rechtbank rekent verdachte dit feit dan ook zwaar aan.
Uit de verklaring van verdachte alsmede een sfeerproces-verbaal in het dossier volgt dat er sprake was van een langdurig conflict tussen verdachte en het slachtoffer en dat er over en weer meldingen zijn
gedaan bij de politie.
In het adviesrapport van de reclassering van 23 februari 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] staat onder meer opgenomen dat verdachte een belaste en traumatische levensgeschiedenis heeft. Op jonge leeftijd is hij in aanraking gekomen met het gebruik van cannabis, harddrugs en later ook alcohol hetgeen is uitgemond in een alcoholverslaving. Het is positief dat verdachte openstaat voor hulp op het gebied van zijn verslavingsproblematiek en psychosociaal functioneren. Tevens is er stabiliteit ten aanzien van zijn financiën en beschikt hij over werk, hetgeen een positieve bijdrage levert aan het hebben van een dagstructuur. De reclassering adviseert een ambulante behandeling gericht op het psychosociaal functioneren en de hieruit voorkomende alcoholverslaving. Ook acht de reclassering het wonen in een beschermde woonvorm van VNN wenselijk voor verdachte.
De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, verblijf in een begeleid wonen, een contactverbod met aangever, beheersing middelengebruik en forensische ambulante begeleiding. Verdachte is bereid zich aan deze voorwaarden te houden.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte als verwoord in het rapport van de reclassering. De raadsman heeft verzocht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De rechtbank is van oordeel dat hier te weinig aanknopingspunten voor zijn en acht het feit daarom volledig aan verdachte toe te rekenen. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf voor de duur van 240 uren met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest, passend en geboden is. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden als geadviseerd door de reclassering opleggen, met dien verstande dat het gebruik van medicatie daar geen onderdeel van uitmaakt nu de rechtbank daartoe geen aanleiding ziet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 157 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarde(n) dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:
  • dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres] ;
  • dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de forensische polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische -en verslavingsproblematiek;
  • dat veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering.
Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
  • dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met: [slachtoffer] Volkerts, geboren op [geboortedatum] 1978, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
  • dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek met behulp van de RUMA marker. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
  • dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan ambulante begeleiding door het Leger des Heils zolang de reclassering dat nodig vindt.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak
en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag voorlopige hechtenis.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Maring, voorzitter, mr. A. de Jong en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 maart 2026.
1 Vgl. Hoge Raad 17 februari 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BG1653)