Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1067

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
25/3666
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vervolgaanvraag immateriële mijnbouwschadevergoeding wegens juiste toepassing gestandaardiseerde methode

Eiseres heeft een vervolgaanvraag ingediend voor een hogere immateriële schadevergoeding wegens mijnbouwschade, nadat zij eerder een vergoeding van €3.000,- had ontvangen. Het Instituut Mijnbouwschade heeft deze vervolgaanvraag afgewezen op grond van de gestandaardiseerde methode, waarbij vier bouwstenen worden beoordeeld: locatie, veiligheidssituatie, omvang fysieke schade en duur schadeafhandeling.

De rechtbank toetst de afwijzing en oordeelt dat het Instituut de methode juist heeft toegepast. Eiseres kreeg punten toegekend voor locatie en fysieke schade, maar niet voor veiligheidssituatie en duur schadeafhandeling. Haar persoonlijke impactanalyse gaf aanleiding tot een lagere vergoeding dan zij al had ontvangen. Daarnaast is binnen haar huishouden gelijktrekking toegepast, wat haar voordeel opleverde.

Eiseres stelde dat de hoorplicht was geschonden, maar de rechtbank concludeert dat het Instituut terecht is afgeweken van het horen vanwege het ontbreken van een verzoek binnen de gestelde termijn. Ook is geen strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel vastgesteld. Het verzoek om toepassing van verlaagd griffierecht wordt afgewezen omdat besluiten van het Instituut niet onder de regeling vallen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft en eiseres geen hogere vergoeding ontvangt. Zij krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet terugbetaald.

Uitkomst: De vervolgaanvraag immateriële schadevergoeding wordt afgewezen omdat de gestandaardiseerde methode correct is toegepast en geen hogere vergoeding toekomt.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/3666

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut

(gemachtigden: mrs. R.D. Langezaal en R.L. Gritter).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de aan haar toegekende vergoeding van immateriële schade. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de vergoeding. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut de gestandaardiseerde methode juist heeft toegepast. Aan eiseres hoeft geen hogere vergoeding toegekend te worden. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een vervolgaanvraag ingediend tot vergoeding van immateriële schade. Het Instituut heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 25 augustus 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Daarna heeft eiseres nog aanvullende stukken ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van het Instituut.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De vergoeding van immateriële schade ten gevolge van gaswinning kent zijn oorsprong in een civiele procedure. De Hoge Raad heeft daarbij gesteld dat de rechter kan oordelen dat de aard en ernst van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis met zich meebrengt dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor bewoners van een bepaald gebied boven het Groningenveld zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen en dat de rechter daarbij aannemelijk kan achten dat de door deze aantasting in de persoon geleden schade voor deze bewoners ten minste een bepaald bedrag beloopt. Dan gaat het om een aantasting in de persoon op andere wijze. [1] Het Instituut heeft, gelet op het grote aantal aanvragen, een methode ontwikkeld waarbij de persoonsaantasting niet door de aanvrager hoeft te worden aangetoond, maar door het Instituut wordt vastgesteld en forfaitaire bedragen worden toegekend.
3.1.
Uit de Procedure en werkwijze van het Instituut (de Werkwijze) volgt dat een aanvraag voor immateriële schade door het Instituut wordt getoetst aan vier bouwstenen, te weten (1) de locatie, (2) de veiligheidssituatie, (3) de omvang van de fysieke schade en (4) de duur van de schadeafhandeling. [2] Dit laat zich -samengevat- naar het volgende schema vertalen.
Bouwstenen
Punten
Locatie
(artikel 4.3)
1: Waardedaling tot 10% tussen 16-8-12 en 1-1-19
2: Waardedaling minimaal 10% tussen 16-8-12 en 1-1-19
Veiligheidssituatie
(artikel 4.4: in de periode dat de aanvrager op het adres woonachtig was)
1: De woning(en) van de aanvrager maakt/maken onderdeel uit van de versterkingsoperatie van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG).
2: Ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager is door het bevoegd gezag een noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen vastgesteld.
3: Ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager is door het bevoegd gezag een acuut onveilige situatie (AOS) door mijnbouwschade vastgesteld.
4: De woning(en) van de aanvrager kon/konden naar het oordeel van het bevoegd gezag tijdelijk niet meer bewoond worden of is/zijn door het bevoegd gezag onbewoonbaar verklaard, als gevolg van een door het bevoegd gezag vastgestelde AOS dan wel als gevolg van de noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen.
Omvang fysieke schade
(artikel 4.5)
1: € 1.000 tot € 10.000
2: € 10.000 tot € 25.000
3: € 25.000 tot € 45.000
4: € 45.000 of meer
Duur schadeafhandeling
(artikel 4.6)
1: 2 tot 4 jaar
2: 4 tot 6 jaar
3: 6 tot 8 jaar
4: 8 jaar of meer
3.2.
De toegekende punten op basis van deze vier bouwstenen leiden tot een vergoeding. Hoe meer punten aan een aanvrager worden toegekend, hoe hoger de uitkering per persoon wordt. Dit laat zich als volgt in een tabel vertalen.
Punten op basis van bouwstenen
Toe te kennen bedrag
1 t/m 3
-
4 t/m 6
€ 1.500,-
7 t/m 9
€ 3.000,-
10 t/m 14
€ 5.000,-
3.3.
Het resultaat op basis van de bouwstenen kan door een aanvrager worden aangevuld door middel van het invullen van een Persoonlijke Impact Analyse (PIA). In sommige gevallen kan de uitkomst van deze PIA het toe te kennen bedrag aan schadevergoeding naar boven corrigeren, waarbij het maximumbedrag € 5.000,- blijft. Zo wordt bijvoorbeeld bij een PIA met het profiel 4 (bijzonder ernstig ervaren leed) op grond van de gestandaardiseerde en hiervoor beschreven methode vanaf 8 punten (in plaats van vanaf 10 punten) een bedrag van € 5.000,- toegekend.
3.4.
Daarnaast worden vergoedingen binnen huishoudens door het Instituut gelijkgetrokken. [3] Wanneer een ander lid van hetzelfde huishouden een hogere uitkomst van de gestandaardiseerde methode had, wordt van dezelfde uitkomst uitgegaan voor de aanvrager. Hiervoor moet worden voldaan aan de voorwaarden dat:
a. aanvrager minimaal zes maanden ingeschreven stond op hetzelfde adres als van degene met wie wordt gelijkgetrokken, en
b. er minimaal een lichte aanwijzing (1 punt) voor een persoonsaantasting is aangenomen bij bouwsteen 2 (veiligheid van de woning) of minimaal een lichte aanwijzing (1 punt) voor een persoonsaantasting is aangenomen bij bouwsteen 3 (omvang fysieke schade).
3.5.
Het Instituut beoordeelt in afwijking van de gestandaardiseerde methode een aanvraag aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval, als de aanvrager in zijn aanvraag of later stelt dat een correcte toepassing van de gestandaardiseerde methode naar zijn oordeel tot onvoldoende schadevergoeding zou leiden. [4]
3.6.
In de uitspraak van 20 april 2023 heeft deze rechtbank geoordeeld dat het puntensysteem dat het Instituut hanteert, in beginsel passend is om in een groot aantal zaken de immateriële schade te beoordelen. [5]
3.7.
Sinds 16 september 2024 kunnen Groningers die eerder een afwijzing van hun aanvraag of een vergoeding voor IMS ontvingen een vervolgaanvraag indienen als hun persoonlijke situatie is gewijzigd.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiseres is sinds 11 november 2022 huurster van het appartement aan [adres], te [woonplaats]. Daarvoor heeft zij van 8 november 2017 tot 1 februari 2021 en van 6 augustus 2021 tot 11 november 2022 aan [adres], te [woonplaats] gewoond. In de periode van 1 februari 2021 tot 6 augustus 2021 heeft zij aan de [adres], te [woonplaats] gewoond.
4.1.
Op 29 maart 2024 heeft eiseres voor het eerst een aanvraag gedaan voor een immateriële schadevergoeding. Met het besluit van 3 mei 2024 is aan haar een vergoeding van € 3.000,- toegekend.
4.2.
Op 21 juli 2025 heeft eiseres een vervolgaanvraag gedaan. Toepassing van de door het Instituut gehanteerde methode levert in de situatie van eiseres het volgende op. Het Instituut heeft voor bouwsteen 1 (locatie) één punt en voor bouwsteen 3 (omvang van de fysieke schade), twee punten toegekend. Voor bouwstenen 2 (veiligheidssituatie) en 4 (duur schadeafhandeling), zijn geen punten toegekend. Uit de door eiseres ingevulde PIA komt naar voren dat eiseres bijzonder ernstig leed heeft ervaren (profiel 4). De combinatie van 3 punten voor de bouwstenen en een PIA-profiel 4 zou een vergoeding van € 1.500,- betekenen. Omdat eiseres echter een huishouden heeft gevormd met personen aan wie een hogere vergoeding voor immateriële schade (€ 3.000,-) is toegekend, heeft eiseres met het eerdere besluit van 3 mei 2024 een immateriële schadevergoeding van € 3.000,- ontvangen.
4.3.
De vervolgaanvraag van eiseres is met het besluit van 25 augustus 2025 afgewezen, omdat het Instituut onvoldoende concrete aanwijzingen zag waaruit zou moeten blijken dat eiseres recht had op een hogere vergoeding dan de € 3.000,- die zij al had ontvangen.
4.4.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Er heeft geen hoorzitting plaatsgevonden. Op 11 september 2025 heeft het Instituut het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Schending hoorplicht?
5. Eiseres stelt dat de hoorplicht van artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geschonden, omdat zij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarprocedure bij het Instituut. In het bestreden besluit staat dat eiseres niet heeft aangegeven dat zij een hoorzitting nodig vond, terwijl eiseres niet actief in de gelegenheid is gesteld om gehoord te worden. Eiseres stelt dat zij hiervoor een expliciete uitnodiging voor had moeten ontvangen, met daarin een duidelijke keuzemogelijkheid. Een algemene vermelding in de ontvangstbevestiging of een optie in een digitale omgeving zijn volgens haar geen daadwerkelijke uitnodigingen in de zin van art. 7:2 Awb Pro. Dit gebrek kan volgens eiseres niet worden gepasseerd.
5.1.
De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen sprake is van een schending van de hoorplicht van artikel 7:2 Awb Pro. Het Instituut heeft zich terecht op de uitzondering op dit artikel beroepen, namelijk artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb. Hierin staat dat van het horen kan worden afgezien als de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Het Instituut heeft de mogelijkheid van een hoorzitting uitgebreid en op een heldere manier kenbaar gemaakt in de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift op 25 augustus 2025. Daarnaast heeft de keuzemogelijkheid ook in de online omgeving van ‘Mijn Dossier’ van eiseres open gestaan. Aan eiseres is daarmee een duidelijke keuze met een duidelijke termijn gegeven. Het Instituut heeft geen reactie van eiseres ontvangen en daarom mocht van het horen worden afgezien.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel?
6. Eiseres meent dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. [6] Zij voert hiertoe ten eerste aan dat het Instituut geen beoordeling heeft gegeven van bouwsteen 2, de veiligheidssituatie. Het Instituut had namelijk moeten onderzoeken of de schade uit 2024 gevolgen heeft (gehad) voor de woning, eiseres verwijst daarbij naar het daartoe opgemaakte adviesrapport van 23 januari 2024. Daarnaast heeft eiseres opgemerkt dat een nieuw gebouwd appartementencomplex in de directe omgeving van haar woning, scheefstand vertoont. Ten onrechte wordt volgens eiseres de veiligheidssituatie uitsluitend gekoppeld aan gegevens afkomstig van de NCG, terwijl het Instituut een zelfstandige beoordeling dient te maken van de aard en de ernst van de aantasting in de persoon. Ten tweede heeft het Instituut de feitelijke grondslag voor de gelijktrekking binnen huishoudens in de situatie van eiseres, eerst in het verweerschrift dragend gemotiveerd. In het bestreden besluit is niet toegelicht met welke personen een huishouden zou zijn gevormd, in welke concrete periode en op basis van welke gegevens dit vastgesteld is. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.
6.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat geen sprake is van strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. In het besluit van 25 augustus 2025 is benoemd hoe bouwsteen 2 in de situatie van eiseres is beoordeeld. Het Instituut is volgens de gestandaardiseerde methode nagegaan of de woning(en) van eiseres onderdeel is/zijn (geweest) van het versterkingsprogramma van de NCG en of er sprake is geweest van een gegronde AOS-melding. Dat is niet het geval. Vervolgens is in het bestreden besluit afdoende ingegaan op de punten die eiseres hierover naar voren heeft gebracht. Daarin is uitgelegd dat het ten aanzien van bouwsteen 2, de veiligheidssituatie, moet gaan om objectieve indicatoren voor daadwerkelijke onveiligheid van de woning. Dat eiseres aanvoert dat zij zich onveilig heeft gevoeld in haar woning, of daarover zorgen heeft, is hiervoor niet voldoende. Dat geldt ook voor zover die gevoelens en zorgen zien op gebouwen in de directe omgeving van de woning van eiseres. De fysieke schade die eiseres in dit verband heeft genoemd, is al meegewogen bij bouwsteen 3. Het Instituut heeft in hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht geen aanleiding hoeven zien om -in afwijking van de gestandaardiseerde methode- nader onderzoek te doen naar de veiligheidssituatie van de woning van eiseres. Bovendien is dit een taak die hoort bij de NCG. Het Instituut heeft bouwsteen 2 op de juiste manier beoordeeld.
6.2.
Met betrekking tot de gelijktrekking binnen huishoudens, heeft het Instituut toegelicht dat het in de situatie van eiseres gaat om twee volwassen leden van een vorig huishouden van eiseres, met wie zij in de periode van 1 februari 2021 tot 6 augustus 2021 samenwoonde aan [adres], te [woonplaats]. Deze personen, van wie om privacyredenen de namen niet zijn vermeld, hebben een hogere persoonlijke vergoeding ontvangen, waardoor eiseres geen € 1.500,-, maar € 3.000,- heeft ontvangen. Dit is zowel in de besluiten van 3 mei 2024 [7] , 19 juli 2024 [8] en 25 augustus 2025 [9] , als het besteden besluit van 11 september 2025 [10] toegelicht. Bovendien wijst de rechtbank erop, dat de gelijktrekking binnen huishoudens in het voordeel heeft gewerkt van eiseres. Zij heeft hierdoor immers een hogere schadevergoeding ontvangen. Ook op dit punt is geen sprake van strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Toepassing verlaagd griffierecht?
7. Eiseres heeft verzocht om de toepassing van de Regeling verlaagd griffierecht. [11] Uit de toelichting van de regeling blijkt dat deze is ingevoerd om voor bepaalde sociaal-maatschappelijk gevoelige geschillen de toegang tot de rechter te waarborgen. Dat is bij deze zaken het geval. Bovendien noemt de Regeling verlaagd griffierecht al besluiten op grond van de Mijnbouwwet. [12] Het zou volgens eiseres inconsistent zijn om het verlaagde griffierecht wel toe te passen bij die bepaalde Mijnbouwwetbesluiten, maar niet bij besluiten van het Instituut, die rechtstreeks voortvloeien uit dezelfde mijnbouwproblematiek. De toegang tot de rechter dient voor gedupeerden van mijnbouwschade laagdrempelig te zijn.
7.1.
De rechtbank wijst erop dat in de toelichting op de wijziging van de Awb over de Regeling verlaagd griffierecht wordt gezegd, dat bijlage 3 bij de Awb een uitputtende opsomming geeft van besluiten waarvoor geldt dat voor beroep daartegen het lage griffierecht wordt geheven. [13] Besluiten van het Instituut vallen hier niet onder.
7.2.
De rechtbank wijst het verzoek af.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het Instituut het bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Huizenga-Bergsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.
2.Artikel 4.1, tweede lid, van de Werkwijze.
3.Artikel 4.7, vierde lid, van de Werkwijze.
4.Artikel 4.1a, tweede lid, van de Werkwijze.
6.Artikel 3:2 en Pro 7:12 van de Awb.
7.P. 2 van het besluit en p. 2 en 5 van de bijlage bij het besluit.
8.P. 10 van het besluit.
9.Bijlage 1 bij het besluit en p. 2 en 5 van bijlage 2 bij het besluit.
10.P. 5 van het besluit.
11.Artikel 8:41, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb en Bijlage 3 bij de Awb.
12.Artikel 2 van Pro Bijlage 3 bij de Awb.