ECLI:NL:RBNNE:2025:5875

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
25/5099
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:81 AwbArt. 11 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bijstand wegens onvoldoende duidelijkheid verblijfplaats

Verzoeker, die tot maart 2025 een bijstandsuitkering ontving, vroeg op 28 juli 2025 een nieuwe uitkering aan. Het college wees deze aanvraag af omdat verzoeker niet voldeed aan de inlichtingenplicht over zijn woon- en verblijfplaats. Verzoeker verstrekte wisselende en onvolledige informatie, gaf niet alle verblijfadressen prijs en kon het recht op bijstand daardoor niet worden vastgesteld.

Na afwijzing van het bezwaar en het niet in behandeling nemen van een tweede aanvraag op 1 oktober 2025, vroeg verzoeker voorlopige voorzieningen aan. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende controleerbare gegevens had verstrekt over zijn verblijfplaatsen, ondanks herhaalde verzoeken van het college. Ook de financiële transacties en reisbewegingen wezen erop dat verzoeker vaak buiten Groningen verbleef.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het college terecht de aanvragen afwees en dat het bezwaar en beroep geen redelijke kans van slagen hebben. De verzoeken om voorlopige voorzieningen werden daarom afgewezen, waardoor de bestreden besluiten in stand blijven.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af wegens onvoldoende duidelijkheid over de verblijfplaats, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/5099

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 december 2025 in de zaak tussen

[naam 1 uit woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. E.P. Groot),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen

(gemachtigde: H.J. Roerig).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) en het niet in behandeling nemen van een aanvraag op grond van de Pw.
2. De aanvraag van 28 juli 2025 is afgewezen bij besluit van 8 september 2025. Het hiertegen ingediende bezwaar is ongegrond verklaard op 20 november 2025. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nummer LEE 25/5100.
3. De aanvraag van 1 oktober 2025 is bij besluit van 26 november 2025 niet in behandeling genomen op grond van artikel 4:6, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar ingesteld.
4. Verzoeker heeft gevraagd om een voorlopige voorziening hangende het beroep en hangende het bezwaar. Hij voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar en het beroep een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de bestreden besluiten te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
6. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

7. Verzoeker ontving een bijstandsuitkering tot 1 maart 2025. De uitkering is op zijn verzoek geëindigd omdat hij werk zou krijgen op een attractiepark in Limburg. Dat is niet doorgegaan. Hij had intussen zijn woning opgezegd. Op 8 april 2025 is verzoeker vanaf Amsterdam naar Bogota gevlogen en is hij op 6 mei 2025 teruggevlogen. Uit informatie van burgerzaken is gebleken dat verzoeker na terugkomst heeft aangegeven te verblijven op verschillende adressen en op straat.
8. Op 28 juli 2025 heeft verzoeker een uitkering aangevraagd. Zijn postadres is sinds 8 mei 2025 [adres] .
9. Bij brief van 30 juli 2025 heeft het college verzoeker gevraagd ontbrekende gegevens te overleggen. Verzoeker dient een verklaring omtrent zijn woon- en verblijf situatie te overleggen. Verzoeker moet aangeven waar hij heeft verbleven en waar hij gaat verblijven. Verzoeker dient adressen, bewoners, plaatsen en data door te geven zodat het college inzicht krijgt waar verzoeker zoal verblijft.
Verzoeker moet zich melden bij Wender, omdat hij dak- en thuisloos is. Verzoeker dient tevens met verklaringen en/of ander bewijs inzicht te verschaffen over waar hij de afgelopen tijd van heeft geleefd. Daarnaast dient verzoeker bewijsstukken over te leggen omtrent de herkomst van contante stortingen en bijschrijvingen op zijn rekening. Verzoeker moet deze gegevens uiterlijk 15 augustus 2025 inleveren. Indien verzoeker dat niet doet, dan kan het zijn dat zijn aanvraag niet in behandeling wordt genomen.
10. Op 3 september 2025 heeft het college bij verzoeker wederom gegevens opgevraagd. Het gaat - onder meer - om bankafschriften, bewijs opzegging huurwoning en bewijs van zijn reis naar Colombia. Als reactie geeft verzoeker een aantal namen door van personen bij wie hij verblijft en hij geeft aan dat hij ook buiten slaapt. Verzoeker geeft aan dat de stortingen afkomstig zijn van het inzamelen van blikjes en flesjes. Daarnaast heeft hij geld geleend van vrienden. Verzoeker wil niet alle adressen prijsgeven waar hij verblijft. Hij geeft tevens aan dat Wender geen plek voor hem heeft omdat hij opvang heeft in zijn netwerk.
11. Bij besluit van 18 september 2025 heeft het college de aanvraag afgewezen. Verzoeker heeft niet aan de verplichting voldaan inlichtingen te verstrekken. Verzoeker heeft geen vaste woon-of verblijfplaats en hij heeft niet aangetoond waar hij verblijft.
Het recht op bijstand is daarom niet vast te stellen.
12. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
13. Bij besluit van 20 november 2025 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft de motivering aangevuld met artikel 11 van Pro de Pw. Verzoeker heeft wisselende informatie verschaft over bij wie hij verblijft. Bij burgerzaken heeft verzoeker andere verblijfadressen doorgegeven. Verder wil verzoeker vanwege privacy niet alle verblijfadressen doorgeven, maar dat komt voor zijn risico. Ook is uit bankafschriften gebleken dat veel transacties buiten Groningen plaatsvinden en niet in de omgeving van de verblijfadressen. Verzoeker doet nauwelijks boodschappen, maar maakt daarentegen wel veel kosten voor openbaar vervoer. Verzoeker heeft ook wisselend verklaard over de stortingen op zijn bankrekening. Verzoeker heeft onvoldoende duidelijkheid verschaft over zijn feitelijke verblijfplaats.
14. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het beroep is geregistreerd onder nummer 25/5100.
15. Op 1 oktober 2025 heeft verzoeker weer een aanvraag gedaan om een bijstandsuitkering. Bij besluit van 26 november 2025 heeft het college de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat verzoekers situatie en omstandigheden niet zijn gewijzigd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader voorlopige voorziening
16. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
17. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopig voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
18. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Spoedeisendheid verzoek om voorlopige voorziening
19. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker een voldoende spoedeisend belang bij een voorlopig oordeel over zijn recht op een bijstandsuitkering.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
20. De in deze zaak te beoordelen periode loopt van 28 juli 2025 (de datum van de eerste bijstandsaanvraag) tot en met 26 november 2025 (de datum waarop de tweede aanvraag niet in behandeling is genomen).
21. Iemand die bijstand aanvraagt, moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn woon- en verblijfplaats. Ook van iemand die dakloos is, kan worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Vervolgens is het aan de bijstandverlenende instantie om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), bijvoorbeeld de uitspraak van 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2034.
22. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker in de te beoordelen periode niet beschikte over een woning. Van belang is dus waar verzoeker werkelijk verbleef. Gelet op de bewijslastverdeling die geldt, is het aan verzoeker om aannemelijk te maken dat hij in de te beoordelen periode werkelijk in de gemeente Groningen verbleef.
23. Verzoeker heeft kort samengevat aangevoerd dat hij met moeite een postadres heeft gekregen in Groningen . Hij heeft meerdere logeeradressen in Groningen waar hij afwisselend verblijft en hij slaapt ook af en toe buiten. Verzoeker wil niet in de nachtopvang slapen omdat hij dan moet slapen tussen drugs- en drankverslaafden. Hij is bang voor diefstal en geweld. Verzoeker is van mening dat hij inmiddels voldoende duidelijkheid heeft gegeven over waar hij verblijft. Ook heeft hij inzicht gegeven in zijn reisgedrag en zijn financiën. Het college moet zijn (tweede) aanvraag in behandeling nemen.
Ter zitting heeft verzoeker nog verklaard dat hij het liefst een eigen kamer wil bij Wender. Hij heeft daartoe ook gesprekken gevoerd met Wender, maar er bestaat een wachtlijst voor deze kamers. Totdat hij een eigen kamer heeft, geeft hij er de voorkeur aan te slapen bij vrienden of op straat.
24. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op grond van de beperkte informatie die verzoeker heeft verstrekt, het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld.
Verzoeker heeft over de te beoordelen periode onvoldoende duidelijkheid verschaft over zijn feitelijke verblijfplaatsen. Het college heeft verzoeker diverse malen gevraagd naar de adressen, maar hij wilde deze niet allemaal geven, omdat de mensen bij wie hij verbleef bang waren voor de gevolgen. Door niet volledig opgave te doen van de adressen waar hij verblijft, ontneemt verzoeker het college de mogelijkheid om onderzoek te doen naar zijn feitelijke verblijfplaats. De omstandigheid dat verzoeker een post-/uitkeringsadres in Groningen heeft, leidt niet tot een ander oordeel, nu dit niets zegt over verzoekers werkelijke verblijfsplaats in de te beoordelen periode. Dat verzoeker niet wil slapen in een slaaphuis staat hem vrij, maar dan dient hij de consequentie daarvan ook te aanvaarden, namelijk dat het college geen duidelijkheid krijgt over zijn feitelijke verblijfplaats en daarmee ook niet snel een uitkering aan verzoeker zal verstrekken.
Ook ten aanzien van het pingedrag, de stortingen op zijn bankrekening en zijn reisgedrag heeft verzoeker niet voldoende duidelijkheid verschaft. Die gegevens wijzen er juist op dat hij vaak buiten de gemeente Groningen verkeert.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de aanvraag van 28 juli 2025 terecht afgewezen omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
25. Nu er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangedragen ten aanzien van de aanvraag van 1 oktober 2025, is de voorzieningenrechter vooralsnog ook van oordeel dat het college die aanvraag terecht heeft afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid van de Awb.

Conclusie en gevolgen

26. Omdat verzoeker ten aanzien van beide aanvragen heeft nagelaten de gevraagde informatie te verstrekken over zijn feitelijke woon- en verblijfplaats(en), heeft hij de inlichtingenplicht geschonden zodat het college het recht op bijstand (nog steeds) niet heeft kunnen vaststellen. Gelet hierop hebben het bezwaar en het beroep geen redelijke kans van slagen.
27. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dit betekent dat de bestreden besluiten - in afwachting van de bezwaar- en beroepsprocedure - in stand zullen blijven. Voor een vergoeding van proceskosten en griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.