Aan betrokkene is een boete opgelegd voor het rijden van 22 kilometer per uur te hard op een weg buiten de bebouwde kom. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, dat door de officier van justitie ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter, die de zaak op 2 december 2025 behandelde zonder aanwezigheid van betrokkene of zijn gemachtigde.
De kantonrechter oordeelde dat de inleidende beschikking door de officier van justitie was aangepast, waarbij de snelheid en het boetebedrag werden gecorrigeerd. De verdediging voerde aan dat de gecorrigeerde snelheid onbetrouwbaar was, maar dit werd verworpen. De kantonrechter achtte de vastgestelde snelheid betrouwbaar en de boete terecht opgelegd.
Echter, de kantonrechter constateerde dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend voor de fase van beroep bij de kantonrechter. De boete werd verlaagd naar €185,25 inclusief administratiekosten en het teveel betaalde bedrag werd teruggegeven aan betrokkene.