Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
vonnis van 15 december 2025
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker,
[adres] ,
hierna te noemen de verhuurder.
Rechtbank Noord-Nederland
In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 15 december 2025 een voorlopige voorziening toegewezen aan een verzoeker die een moratorium heeft aangevraagd in het kader van een schuldsaneringsregeling. De verzoeker, die te maken heeft met betalingsachterstanden en een huurachterstand bij Stichting Woonservice Drenthe, heeft op 23 oktober 2025 een verzoek ingediend voor een moratorium op basis van artikel 287b van de Faillissementswet. De rechtbank heeft op 27 oktober 2025 een tussenvonnis gewezen en een tijdelijke voorziening getroffen om de ontruiming van de woning te voorkomen.
Tijdens de zitting op 8 december 2025 is de situatie van de verzoeker besproken, waarbij hij samen met zijn schuldhulpverlener en beschermingsbewindvoerder aanwezig was. De verhuurder heeft verweer gevoerd, stellende dat de verzoeker al sinds 2021 betalingsachterstanden heeft en dat dit de derde minnelijke schuldregeling is die voor hem wordt opgestart. De rechtbank heeft vastgesteld dat de huurtermijnen sinds het tussenvonnis tijdig en volledig zijn voldaan en dat de financiële situatie van de verzoeker voldoende stabiel lijkt om de huur te kunnen betalen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een situatie waarin het moratorium niet gerechtvaardigd zou zijn. De belangenafweging viel in het voordeel van de verzoeker uit, en de rechtbank heeft bepaald dat de voorziening geldt voor een termijn van zes maanden, met de voorwaarde dat de verzoeker tijdig en volledig aan zijn verplichtingen voldoet. De beslissing houdt in dat de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis wordt opgeschort en de huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening. De rechtbank heeft ook bepaald dat de verzoeker de rechtbank moet informeren als er een minnelijke schuldregeling tot stand komt.