ECLI:NL:RBNNE:2025:5165

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
23/5563
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing verzoek om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland, gedateerd 19 november 2025, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van de Nationale ombudsman om stukken openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo) behandeld. Eiser had op 24 januari 2023 een verzoek ingediend om documenten te ontvangen die betrekking hadden op datalekken in 2022, inclusief informatie over meldingen bij de Autoriteit Persoonsgegevens en de maatregelen die de ombudsman had genomen om datalekken te voorkomen. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is, omdat eiser zelf de reikwijdte van zijn Woo-verzoek heeft bepaald met de formulering van zijn vragen. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit heeft voldaan aan het Woo-verzoek van eiser, en dat de zoekslagen toereikend zijn geweest. Eiser heeft geen recht op een immateriële schadevergoeding, omdat de vertraging in de behandeling van de zaak aan hem zelf te wijten is. De rechtbank beslist dat het bestreden besluit in stand blijft, maar dat verweerder het griffierecht aan eiser moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/5563

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: G. Heres Hoogerkamp),
en

Nationale ombudsman, verweerder

(gemachtigde: mr. L.L. Schepping).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van verweerder om stukken openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die voor deze zaak van belang zijn.

Procesverloop

2.1.
Op 24 januari 2023 heeft eiser bij verweerder het volgende verzoek ingediend.
“ (…) Namens client verzoek ik u dan ook, zulks met een beroep op de Woo, om mij in bij voorkeur digitale vorm in kopie te doen toekomen alle documenten waaruit blijkt (1) hoeveel datalekken er zich in 2022 hebben voorgedaan, (2) welke daarvan zijn gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens, (3) welke maatregelen de Nationale ombudsman heeft genomen om datalekken te voorkomen en (4) hoe de ombudsman meer in het algemeen het AVG-bewustzijn onder zijn medewerkers heeft vergroot, althans welke pogingen hij daartoe heeft ondernomen. (…) ”
2.2.
Met het primaire besluit van 17 augustus 2023 heeft verweerder op het Woo-verzoek gereageerd. Dit heeft hij gedaan door vraag 4 van het verzoek te beantwoorden en door een document te verstrekken, waarin hij zijn antwoorden op de vragen 1, 2 en 3 van het verzoek heeft verwerkt in een overzicht.
2.3.
Met het bestreden besluit van 17 november 2023 op het bezwaar van eiser heeft verweerder zijn beslissing deels herroepen en nadere documenten openbaar gemaakt die zien op vraag 4 van het Woo-verzoek.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op zitting behandeld op 27 augustus 2025. Hieraan heeft deelgenomen de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft verweerder met het bestreden besluit voldaan aan het Woo-verzoek van eiser?
3.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder met het bestreden besluit nog niet alle documenten openbaar heeft gemaakt waar hij om heeft verzocht. Eiser voert aan dat de antwoorden van verweerder op vraag 1, 2 en 3 van het Woo-verzoek, uit bestaande documenten moet zijn gedestilleerd. Ook voert eiser aan dat er door medewerkers van verweerder over de datalekken moet zijn gecommuniceerd. En hiervan zouden dan ook documenten moeten bestaan.
3.2.
Verder voert eiser aan dat in het bestreden besluit door verweerder niet is uitgelegd hoe de zoekslagen zijn verricht.
4.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij heeft voldaan aan het Woo-verzoek van eiser. De informatie in het overzicht bij het primaire besluit geeft antwoord op de vragen (1) om hoeveel datalekken het gaat, (2) of deze zijn gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens en (3) welke maatregelen zijn genomen. Daaraan liggen verder geen documenten ten grondslag waarop het Woo-verzoek van eiser ziet. Het overzicht is gemaakt om eiser wel antwoord te kunnen geven op zijn vragen. Voor het eerst in bezwaar heeft eiser verzocht om de door hem in zijn bezwaarschrift genoemde documenten openbaar te maken. Zijn oorspronkelijke Woo-verzoek zag niet op openbaarmaking van deze documenten.
4.2.
Desgevraagd heeft verweerder op de zitting de volgende uitleg gegeven over hoe de zoekslagen zijn verricht. De datalekken zelf worden bijgehouden in een meldsysteem. Uit dit meldsysteem is de informatie gedestilleerd die nodig was voor het maken van het aan eiser verstrekte overzicht. Nagegaan is of er al documenten bestonden waarin aantallen datalekken en/of meldingen bij de Autoriteit Persoonsgegevens werden bijgehouden, maar dergelijke documenten waren er niet. Er zijn bijvoorbeeld geen verslagen of rapportages over (aantallen) datalekken en/of meldingen opgemaakt, omdat er op managementniveau niet in aantallen wordt gesproken over datalekken. Verder heeft de gemachtigde van verweerder uitgelegd dat binnen de organisatie het contact tussen de medewerkers vooral mondeling plaatsvindt, omdat verweerder een kleine organisatie is. Het contact met de Autoriteit Persoonsgegevens verloopt met name telefonisch (met een vaste contactpersoon). Ook van die contacten wordt geen overzicht bijgehouden.
Het Woo-verzoek
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het bestreden besluit heeft voldaan aan het Woo-verzoek van eiser. Bij de bepaling van de reikwijdte van een Woo-verzoek moeten de gebruikte bewoordingen en de context waarin het verzoek wordt gedaan worden betrokken. Met de formulering van zijn vragen, heeft eiser dus zelf de reikwijdte van zijn Woo-verzoek bepaald.
5.2.
Met het primaire besluit met bijlage, heeft verweerder de vragen van eiser in het Woo-verzoek van antwoord voorzien. Verweerder is er naar het oordeel van de rechtbank terecht vanuit gegaan dat eiser - door in zijn Woo-verzoek te vragen naar “
documenten waaruit blijkt (1) hoeveel datalekken er zich in 2022 hebben voorgedaan, (2) welke daarvan zijn gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens, (3) welke maatregelen de Nationale ombudsman heeft genomen om datalekken te voorkomen”- uit was op documenten waarin
cijfers en/of overzichtenzijn opgenomen met betrekking tot aantallen datalekken en meldingen in 2022 en documenten waarin wordt verwoord welke maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van datalekken. Voor zover eiser dit beoogt te stellen, kan zijn verzoek niet zo worden uitgelegd dat gevraagd is om alle documenten die individuele datalekken en meldingen bij de Autoriteit Persoonsgegevens betreffen. De uitbreiding door eiser in bezwaar van de vragen 1, 2 en 3 van het Woo-verzoek, verdraagt zich niet met het oorspronkelijke verzoek. Verweerder mocht daarom voorbijgaan aan de uitbreiding van het Woo-verzoek in de bezwaarfase. Deze beroepsgrond van eiser faalt dus.
De zoekslagen
6.1.
Als een bestuursorgaan informatie verstrekt, moet daarbij ook informatie worden verstrekt over de methoden die zijn gebruikt om de informatie samen te stellen. De rechtbank stelt vast dat verweerder eerst in het verweerschrift en later op de zitting, met een nadere motivering duidelijk heeft gemaakt hoe de zoekslagen zijn verricht. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het motiveringsbeginsel.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat zij dit gebrek kan passeren [1] . Het is namelijk niet aannemelijk gemaakt dat eiser door schending van het motiveringsbeginsel is benadeeld. Bovendien heeft verweerder alsnog inzicht gegeven in hoe de zoekslagen zijn verricht. De rechtbank stelt vast dat deze aanvullende motivering het bestreden besluit kan dragen. De zoekslag is toereikend geweest. Daarom passeert de rechtbank het gebrek. Wel moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
Het verzoek om schadevergoeding
7.1.
Eiser verzoekt om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierbij geldt dat de berechting van een zaak door de rechtbank in beginsel niet binnen een redelijke termijn geschiedt wanneer zij niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet (waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren). De termijn vangt aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt [2] .
7.2.
Gelet op de datum van ontvangst van het bezwaarschrift zou de redelijke termijn in deze zaak dan zijn geëindigd op 29 juni 2025. De rechtbank constateert dat de behandeling van de zaak (ruim zes maanden) langer heeft geduurd door oorzaken die aan eiser zijn toe te rekenen. Zo heeft eiser uitstel van de op 11 februari 2025 geplande zitting gekregen. nadat zijn verzoek om een digitale zitting werd afgewezen. Ook heeft de correspondentie over zijn herhaalde verzoeken om digitale behandeling en de ingezette wrakingsprocedure door eiser tot vertraging geleid bij het opnieuw inplannen van de zitting. Deze vertraging van de procedure is dus voor een periode van ruim zes maanden niet toe te schrijven aan de rechtbank. Hierop gelet heeft de berechting binnen een redelijke termijn plaatsgevonden. Daarom komt eiser niet in aanmerking voor een immateriële schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Verweerder moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Er bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025.
griffier
rechter
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Wet open overheid
Artikel 2.4. Zorgplicht en openbaarmaking
(…)
6 Indien het bestuursorgaan informatie verstrekt, verstrekt het zo nodig, en voor zover deze informatie voorhanden is, tevens informatie over de methoden die zijn gebruikt bij het samenstellen van de informatie.
Artikel 4.1. Verzoek
1. Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.
(…)
4 De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.
(…)

Voetnoten

1.Dit kan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden met vindplaats ECLI:NL:HR:2016:252.