ECLI:NL:RBNNE:2025:5132

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
18/315111-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van verdachte wegens overtredingen van de Wegenverkeerswet en de Opiumwet

Op 12 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in Leeuwarden uitspraak gedaan in de strafzaak tegen een verdachte die op 30 september 2024 in Lemmer diverse verkeersdelicten heeft gepleegd. De verdachte, geboren in 1988, was niet in het bezit van een rijbewijs en reed onder invloed van drugs. Tijdens een achtervolging door de politie vertoonde hij gevaarlijk rijgedrag, waaronder het rijden met een te hoge snelheid en het negeren van verkeerssignalen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Daarnaast werd de verdachte ook vervolgd voor het bezit en vervoer van verschillende soorten harddrugs, waaronder cocaïne, MDMA, GHB en amfetamine. De rechtbank achtte de verdachte schuldig aan vier strafbare feiten, waaronder overtredingen van de Wegenverkeerswet en de Opiumwet. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor zes maanden. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte, die eerder al was veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/315111-24
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/042900-21
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 december 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 november 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.M.J.C. van Lee, advocaat te Donkerbroek. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H.P. Polstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 30 september 2024 te Sint Nicolaasga en/of Lemmer, althans in Nederland,
als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A6 (richting Lemmer) en/of [adres] en/of [adres] en/of [adres] en/of [adres] te Lemmer,
zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, door
  • zeer dicht, te weten op een afstand van tussen de één en drie meter, achter een ander voertuig te rijden, en/of
  • geen gevolg te geven aan verkeersaanwijzingen van de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, en/of
  • over een dubbele getrokken streep en/of verdrijvingsvlak en/of berm en/of reflectorpaal te rijden, en/of
  • voertuigen (gevaarlijk) in te halen over de weghelft/rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer, en/of
  • met een hogere snelheid dan de toegestane maximumsnelheid van 30 en/of 70 en/of 100 kilometer per uur te rijden, in elk geval door met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord is, te rijden,
terwijl hij, verdachte, niet in bezit was van enig rijbewijs en/of verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, en/of door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer anderen te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 september 2024 te Sint Nicolaasga en/of Lemmer, althans in Nederland,
als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A6 (richting Lemmer) en/of [adres] en/of [adres] en/of [adres] en/of [adres] te Lemmer,
  • zeer dicht, te weten op een afstand van tussen de één en drie meter, achter een ander voertuig heeft gereden, en/of
  • geen gevolg heeft gegeven aan verkeersaanwijzingen van de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, en/of
  • over een dubbele getrokken streep en/of verdrijvingsvlak en/of berm en/of reflectorpaal heeft gereden, en/of
  • voertuigen (gevaarlijk) heeft ingehaald over de weghelft/rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer, en/of
  • met een hogere snelheid dan de toegestane maximumsnelheid van 30 en/of 70 en/of 100 kilometer per uur heeft gereden, in elk geval met een (veel) hogere snelheid heeft gereden dan ter plaatse verantwoord is,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.
hij op of omstreeks 30 september 2024 te Sint Nicolaasga en/of Lemmer, althans in Nederland,
als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de A6 (richting Lemmer) en/of [adres] en/of [adres] en/of [adres] en/of [adres] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994, een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
3.
hij op of omstreeks 30 september 2024 te Sint Nicolaasga en/of Lemmer, althans in Nederland,
een voertuig (personenauto) heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine/MDMA/MDA, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof ongeveer 368 microgram per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;
4.
hij op of omstreeks 30 september 2024 te Sint Nicolaasga en/of Lemmer, althans in Nederland,
opzettelijk heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad
ongeveer 0,60 gram (van een materiaal bevattende) cocaïne en/of ongeveer 97,69 gram (van een materiaal bevattende) MDMA en/of ongeveer 605,92 gram (van een materiaal bevattende) GHB en/of ongeveer 573,14 gram (van een materiaal bevattende) amfetamine, zijnde cocaïne en/of MDMA en/of GHB en/of amfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 primair, 2, 3 en 4.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair en feit 4. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van feit 1 primair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden en dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte betwist dat hij alle ten laste gelegde gedragingen heeft begaan, de verbalisant een deel van die gedragingen niet heeft kunnen
waarnemen en het bovendien ten tijde van het feit rustig op de weg was.
Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte de in de auto aangetroffen drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van die drugs. Verdachte heeft bovendien ontkend dat de drugs van hem zijn.
Ten aanzien van feit 2 en 3 heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht feit 1 primair, feit 2, feit 3 en feit 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
Bewijsmiddelen
De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen, die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende -zakelijk weergegeven- vast.1
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Feit 1 primair, 2 en 3
Op maandag 30 september 2024 omstreeks 14:50 uur reed de verbalisant in een politiedienstvoertuig over de A6 vanuit Joure in de richting van Lemmer op rijstrook 1. De verbalisant zag dat er een zwartkleurige Seat Arosa voorzien van kenteken [kenteken] (
hierna: de Seat) op rijstrook 2 reed, in de richting van Lemmer. Op de snelweg A6 gold op dat moment een maximale snelheid van 100 kilometer per uur. De verbalisant zag dat er een Mercedes voor de Seat reed en dat de tussenafstand tussen de Seat en de Mercedes 3 meter afstand bedroeg.
De verbalisant wilde de bestuurder van de Seat een volgteken geven en ging op rijstrook 1 ter hoogte van de tussenruimte van de Seat en de Mercedes rijden. De verbalisant deed zijn richtingaanwijzer naar rechts aan. De verbalisant zag dat de Mercedes dezelfde snelheid bleef rijden, maar dat de Seat de afstand tussen hem en de Mercedes voor hem verkleinde. De verbalisant zag dat de tussenafstand minder dan 1 meter bedroeg.
De verbalisant liet zijn dienstvoertuig afzakken, reed daarna achter de Seat en wilde de bestuurder van de Seat staande houden. De verbalisant ontbrandde daarop aan de voorzijde van zijn dienstvoertuig het transparant met de tekst “Stop Politie”. De verbalisant probeerde de Seat er bij afslag [adres] af te halen, maar zag dat de Seat naar rijstrook 1 verplaatste en vervolgens meerdere vrachtwagens inhaalde. De verbalisant ging achter de Seat op rijstrook 1 rijden en zag dat de snelheid van de Seat omhoog ging. De verbalisant zag dat hij op dezelfde afstand van de Seat bleef rijden en zag op de snelheidsmeter van zijn
dienstvoertuig dat hij 115 kilometer per uur reed. De verbalisant zag dat zij de afslag [adres] voorbij reden.
De verbalisant zag dat de Seat naar rijstrook 2 verplaatste.2 De verbalisant haalde de Seat in en ging voor de Seat op rijstrook 2 rijden. Via de achterzijde van het dienstvoertuig op het transparant gaf de verbalisant de tekst “Politie Volgen”. De verbalisant verplaatste vervolgens het dienstvoertuig naar de uitvoegstrook om de afslag Lemmer te nemen. De verbalisant zag echter dat de Seat op rijstrook 2 bleef rijden en niet achter de verbalisant op de uitvoegstrook ging rijden. Daarop verplaatste de verbalisant zijn dienstvoertuig weer naar rijstrook 2 en zag de verbalisant dat hij voorbij het “Uit-bord” reed. De verbalisant zag daarna dat de Seat plotseling een snelle beweging maakte en net voor het “Uit-bord” over de dubbele doorgetrokken streep de uitvoegstrook op reed.
De verbalisant zette bij het dienstvoertuig de optische en geluidsignalen aan en reed vervolgens over de invoegstrook Lemmer in. De verbalisant zag dat de Seat over het verdrijvingsvlak en door de middenberm tussen de invoegstrook en uitvoegstrook langs meerdere voertuigen reed, waarbij de remweg ongeveer 25 meter bedroeg. Ook zag de verbalisant dat de Seat over een reflectorpaal heenreed. De verbalisant zag dat de verkeerslichten aan het einde van de afslag A6 op groen sprongen en de Seat voor de kruising tussen het verkeer vanuit de berm naar de rechterbaan verplaatste.
Bij de kruising A6 en [adres] zag de verbalisant dat de Seat rechtsaf sloeg [adres] op. De verbalisant reed achter de Seat aan en zag dat er meerdere verkeersdeelnemers op [adres] reden. De verbalisant zag dat de Seat meerdere voertuigen links en rechts inhaalde en dat er blauwe rook onder de Seat vandaan kwam. Om de Seat bij te houden reed de verbalisant 120 kilometer per uur, waar maximaal 70 kilometer per uur is toegestaan.
De verbalisant zag dat de Seat bij de kruising [adres] en [adres] rechtdoor reed. De verbalisant zag toen dat de Seat een vrachtwagen voor zich had rijden en dat de Seat over de dubbele doorgetrokken streep de vrachtwagen links inhaalde.
Bij de kruising [adres] en [adres] zag de verbalisant dat de Seat rechtsaf [adres] opreed. Hier geldt een maximale snelheid van 30 kilometer per uur. De verbalisant zag dat de afstand tussen hem en de Seat gelijk bleef en zag op zijn snelheidsmeter dat hij 90 kilometer per uur reed. De verbalisant zag dat de Seat links twee fietsers inhaalde.
De verbalisant zag dat de Seat op de T-kruising rechtsaf [adres] in reed. Dit is het
begin van de woonwijk, alwaar een maximale snelheid van 30 kilometer per uur geldt. De verbalisant zag dat de afstand tussen hem en de Seat gelijk bleef en zag op de snelheidsmeter dat hij 70 kilometer per uur reed.
De verbalisant zag dat de Seat [adres] inreed en rechtsaf een doodlopende straat inreed. De verbalisant zag dat de Seat op een oprit tot stilstand kwam en niet meer verder kon rijden. Vervolgens zag de verbalisant dat de bestuurder met snelheid uit de Seat stapte en zijn handen omhoog deed.
Naar inzicht van de verbalisant was door het rijgedrag van de bestuurder van de Seat, gelet op de intensiteit van het verkeer dat op dat moment op die wegen aanwezig was, een
redelijk gevaar voor het ontstaan van een aanrijding of de reële kans aanwezig dat andere weggebruikers, door dat slingerende rijgedrag van die bestuurder, plotseling zouden moeten remmen of uitwijken. De verbalisant heeft de bestuurder aangehouden.3
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de bestuurder van de Seat was. Hij heeft ook verklaard dat hij blind is aan één oog.4 Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij het politievoertuig voor zich heeft zien rijden, voordat hij de snelweg afging, en dat hij gezien heeft dat aan hem een teken werd gegeven om te stoppen, maar dat hij in paniek raakte.5
Uit het RDW-systeem volgt dat verdachte niet in het bezit is van een rijbewijs.6 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij geen rijbewijs heeft.7 De Seat is een motorrijtuig waarvoor voor het besturen een rijbewijs vereist is.8
Op 30 september 2024 om 16:14 uur heeft een verpleegkundige verdachte bloed afgenomen.9 De verbalisant heeft de buisjes bloed, gewaarmerkt, in de voorgeschreven verpakking verpakt, verzegeld en in de daartoe bestemde vriezer geplaatst, liggend op het grootste oppervlak. Tevens heeft de verbalisant het opdrachtformulier Toxicologisch onderzoek voorzien van een genummerde en op naam gestelde SIN-sticker “Analyse” met het nummer TACQ8162NL. De verzegelde verpakking is verzonden naar het Maasstad Ziekenhuis te Rotterdam .10
Een extract van het bloed van verdachte met SIN-nummer TACQ8162NL werd door het Maasstad Ziekenhuis geanalyseerd op de aanwezigheid en concentratie van de in artikel 8 lid 5 van de Wegenverkeerswet (
hierna: WVW) aangewezen stoffen.11 De eindresultaten van deze analyse zijn als volgt:
  • 300 microgram amfetamine per liter bloed;
  • 13 microgram MDA per liter bloed;
  • 55 microgram MDMA per liter bloed,
  • Dus een totaal van 368 microgram amfetamine-achtigen per liter bloed.12
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 30 september 2024 onder meer dexamfetamine heeft gebruikt en in de avond van 29 september 2024 een Xtc-pil heeft genomen.13
Feit 4
Inbeslagneming
De verbalisant heeft op 30 september 2024 de Seat, nadat hij deze op een openbare parkeerplaats aan de Schorpioen in Lemmer had geparkeerd, doorzocht. De verbalisant heeft een grote zwarte tas en een kleine zwarte tas, welke op de achterbank lagen, in beslag genomen.14
In voornoemde twee zwarte tassen zijn onder andere aangetroffen:
  • Twee gripzakjes met daarin een aantal wikkels met tabletdelen, poeders en brokjes (goednummer 1759258)15;
  • Een fles met vloeistof (goednummer 1759227)16, en
  • Een plastic bakje met daarin een blok natte substantie (goednummer 1759083).17
Verder werd in de Seat aangetroffen en inbeslaggenomen een gripzak met daarin verschillende gripzakjes (goednummer 1759228).18
Twee gripzakjes met daarin wikkels (goednummer 1759258)
De verbalisanten hebben onderzoek verricht naar de twee gripzakjes met goednummer 1759258 (SIN-nummer AAST5297NL).19 De volgende wikkels maakten deel uit van de gripzakjes en zijn afgesplitst:20
  • 1 wikkel met daarin wit poeder en brokjes (SIN-nummer AAST5258NL);
  • 1 wikkel met daarin wit kristalachtig poeder (SIN-nummer AAST5259NL);
  • 1 wikkel met daarin wit poeder en brokjes (SIN-nummer AAST5260NL).21
De inhoud van de wikkel met SIN-nummer AAST5258NL is bemonsterd en onderzocht. Het nettogewicht van deze wikkel bedraagt 0,60 gram.22 Uit het onderzoek bleek dat de inhoud van deze wikkel cocaïne bevat.23
De inhoud van de wikkel met SIN-nummer AAST5259NL is bemonsterd en onderzocht. Het nettogewicht van deze wikkel bedraagt 0,01 gram.24Uit het onderzoek bleek dat de inhoud van deze wikkel MDMA bevat.25
De inhoud van de wikkel met SIN-nummer AAST5260NL is bemonsterd en onderzocht. Het nettogewicht van deze wikkel bedraagt 0,12 gram.26Uit het onderzoek bleek dat de inhoud van deze wikkel amfetamine bevat.27
Fles met vloeistof (goednummer 1759227)
De verbalisanten hebben onderzoek verricht naar de fles met vloeistof met goednummer 1759227 (SIN-nummer AAST5298NL).28 De inhoud van deze fles is bemonsterd en onderzocht. Het nettogewicht van deze fles bedraagt 605,92 gram.29Uit het onderzoek bleek dat de inhoud van deze fles GHB bevat.30
Plastic bakje met daarin blok natte substantie (goednummer 1759083)
De verbalisanten hebben onderzoek verricht naar het plastic bakje met daarin een blok natte substantie met goednummer 1759083 (SIN-nummer AARW6450NL).31 Dit blok is bemonsterd en onderzocht. Het nettogewicht van dit blok bedraagt 573,02 gram.32Uit onderzoek bleek dat dit blok natte substantie amfetamine bevat.33
Gripzak met daarin gripzakjes (goednummer 1759228)
De verbalisanten hebben onderzoek verricht naar de gripzak met goednummer 1759228 (SIN-nummer AARW6449NL).34 De volgende gripzakjes maakten deel uit van de gripzak en zijn afgesplitst:
  • een gripzak met daarin crèmekleurige kristalachtige brokken en poeder (SIN-nummer AARW6486NL);
  • 7 gripzakjes met daarin crèmekleurige brokjes en poeder (SIN-nummer AARW6485NL);35
1. gripzakje met daarin crèmekleurig kristalachtig poeder (SIN-nummer AARW6482NL).36
De inhoud van de gripzak met SIN-nummer AARW6486NL is bemonsterd en onderzocht. Het nettogewicht van deze gripzak bedraagt 90,83 gram.37Uit het onderzoek bleek dat de inhoud van deze gripzak MDMA bevat.38
De inhoud van de 7 gripzakjes met SIN-nummer AARW6485NL is bemonsterd en onderzocht. Het nettogewicht van deze 7 gripzakjes bedraagt 6,57 gram.39Uit het onderzoek bleek dat de inhoud van deze gripzakjes MDMA bevat.40
De inhoud van het gripzakje met SIN-nummer AARW6482NL is bemonsterd en onderzocht. Het nettogewicht van dit gripzakje bedraagt 0,28 gram.41Uit het onderzoek bleek dat de inhoud van dit gripzakje MDMA bevat.42
Verklaringen
In het dossier bevinden zich fotobladen met de volgende fotos en omschrijvingen:43
  • Foto 1: Kleine zwarte tas van de achterbank;44
  • Foto 6: Inhoud grote zwarte tas voorvak; 45
  • Foto 7: Inhoud grote zwarte tas middenvak.46
Verdachte heeft ter terechtzitting na het tonen van de fotos verklaard dat de goederen op foto 6 en de sokken op foto 7 van hem zijn. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij al meerdere dagen met deze twee tassen rondrijdt en deze vanuit de kofferbak op de achterbank heeft gelegd.47
Getuige [getuige 1] , kentekenhouder van de Seat, heeft verklaard dat hij de Seat vanaf 23 september 2024 aan verdachte heeft uitgeleend en dat er op de autosleutels na niets van hem in de auto lag.48
[getuige 2] , die in het onderzoek (ook) als verdachte is gehoord, heeft verklaard dat hij op 28 september 2024 met verdachte in de Seat zat. Aan [getuige 2] vertelde verdachte toen dat het zijn auto is.49 Ten aanzien van foto 1 heeft [getuige 2] verklaard dat de tas die op die foto staat van verdachte is.50 [getuige 2] heeft verklaard dat slechts zijn kleding en tassen met kleding van verdachte in de auto lagen en dat de auto verder schoon was. [getuige 2] weet niets van de in de auto aangetroffen drugs.51
BewijsoverwegingenFeit 1 primair
Anders dan de verdediging heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de verbalisant, zodat de rechtbank uitgaat van de door verbalisant beschreven gedragingen van verdachte. De rechtbank acht daarom de in de tenlastelegging opgenomen gedragingen wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank is van oordeel dat de verkeersgedragingen van verdachte tezamen, in combinatie met het gegeven dat verdachte aan één oog blind is, niet beschikt over een rijbewijs en verkeerde onder invloed van drugs/medicatie, een ernstige schending van de verkeersregels opleveren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte meerdere gedragingen heeft verricht die zijn genoemd in artikel 5a onder lid 1 WVW. Verder acht de rechtbank bewezen dat het opzet van verdachte zowel gericht was op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden daarvan. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm en in aanmerking genomen dat verdachte bezig was om aan een achtervolging door de politie te ontkomen, kan het niet anders dan dat bij hem sprake was van opzet.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Immers, de verbalisant beschrijft in zijn proces-verbaal dat verdachte meerdere verkeersdeelnemers, waaronder fietsers, is tegengekomen. Daarbij heeft het feit gedeeltelijk binnen de bebouwde kom plaatsgevonden, op een tijdstip (maandagmiddag rond 15:00 uur) waarvan algemeen bekend is en daarmee ook voorzienbaar voor verdachte, dat kinderen zich dan van school naar huis verplaatsen. De rechtbank acht verder van belang dat in het verkeer in het algemeen niet goed voorspelbaar is bij welke andere verkeersdeelnemers men in nabijheid zal komen en hoe deze zullen reageren op schending van verkeersregels. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het gedrag van verdachte met zich dat hij niet in staat kan worden geacht steeds adequaat te reageren op de aanwezigheid en het verkeersgedrag van andere verkeersdeelnemers.
De conclusie op grond van deze overwegingen is dat de rechtbank feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen acht.
Feit 4
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat het op grond van artikel 2, aanhef en onder B en C, van de Opiumwet verboden is om een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I te vervoeren en aanwezig te hebben. Het met opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) handelen in strijd met deze verboden is als misdrijf strafbaar gesteld op grond van artikel 10, lid 3 en 4, Opiumwet. Dit is aan verdachte in feit 4 ten laste gelegd.
Voor de bewezenverklaring van aanwezig hebben, en daarmee ook voor het vervoeren, is nodig dat de verdachte feitelijke macht over het verdovende middel heeft kunnen uitoefenen, in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor moet de verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard dat het middel in zijn machtssfeer aanwezig is geweest. Voor de bewezenverklaring van het aanwezig hebben hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen.52
Als algemene ervaringsregel geldt dat de bestuurder, tevens enige inzittende, van een hem toebehorende personenauto, waarin zich een niet onaanzienlijke hoeveelheid drugs bevindt, met de aanwezigheid van die drugs in zijn auto bekend pleegt te zijn.53
Verder geldt als algemene ervaringsregel dat een verdachte als eigenaar van een tas, waarin zich behalve de drugs ook een aantal (andere) aan verdachte toebehorende goederen bevinden, bekend pleegt te zijn
met de inhoud van die tas.54
Als uitgangspunt heeft verder te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.55
Onderhavige zaak
In de door verdachte bestuurde Seat, waarvan hij de enige inzittende was, zijn verschillende soorten drugs aangetroffen. Hoewel de Seat van iemand anders was, reed verdachte al wel meerdere dagen rond in deze Seat en vertelde hij aan [getuige 2] dat de Seat van hem is. De rechtbank stelt daarom de algemene ervaringsregel voorop dat verdachte als bestuurder van dat voertuig met de aanwezigheid van de aangetroffen drugs bekend zal zijn geweest. Dat dat in dit geval ook daadwerkelijk het geval was, past bij de verklaringen van de kentekenhouder van de auto dat hij de auto op 23 september 2024 leeg aan verdachte heeft uitgeleend en [getuige 2] dat de auto op 28 september 2025, op hun kleding na, schoon was. De verklaring van verdachte dat hij de auto vol met troep van anderen heeft meegekregen, stelt de rechtbank dan ook als ongeloofwaardig terzijde.
Daarbij komt dat verdachte een deel van de goederen die evenals een deel van de aangetroffen drugs in de grote zwarte tas zijn aangetroffen als zijn eigendom herkent. [getuige 2] heeft voorts verklaard dat de kleine zwarte tas op foto 1, waarin zich eveneens drugs bevonden, van verdachte is. Verder kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze tassen, omdat hij deze van de kofferbak naar de achterbank heeft verplaatst.
Ook hier stelt de rechtbank de algemene ervaringsregel voorop dat verdachte met de inhoud van de tassen bekend zal zijn geweest.
Tot slot vindt de rechtbank het verhaal van verdachte, dat een ander zonder toestemming en wetenschap van verdachte de drugs in de auto heeft achtergelaten, niet aannemelijk. Het gaat hier om een hoeveelheid drugs met een hoge straatwaarde die niet zo maar aan verdachte zal zijn meegegeven.
Bovendien is er een dealerindicatie doordat een deel van de drugs in gripzakjes en wikkels is aangetroffen en er weegschaaltjes in de auto lagen.
Op basis van voornoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte de in de auto aangetroffen drugs opzettelijk in de Seat aanwezig heeft gehad. Aangezien hij heeft rondgereden met de Seat, heeft hij de drugs ook opzettelijk vervoerd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feit 1 primair, feit 2, feit 3 en feit 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. primair
hij op 30 september 2024 te Lemmer, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg,
de A6 (richting Lemmer), [adres] , [adres] , [adres] en [adres] te Lemmer,
zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, door
  • zeer dicht, te weten op een afstand van tussen de één en drie meter, achter een ander voertuig te rijden, en
  • geen gevolg te geven aan verkeersaanwijzingen van de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, en
  • over een dubbele
  • voertuigen gevaarlijk in te halen, en
  • met een hogere snelheid dan de toegestane maximumsnelheid van 30, 70 en 100 kilometer per uur te rijden,
terwijl hij, verdachte, niet in bezit was van enig rijbewijs en verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994,
en door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer anderen te duchten was;
hij op 30 september 2024 te Lemmer, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de A6 (richting Lemmer), [adres] , [adres] , [adres] en [adres] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994, een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
hij op 30 september 2024 te Lemmer, althans in Nederland, een voertuig (personenauto) heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine/MDMA/MDA, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 368 microgram per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;
hij op 30 september 2024 te Lemmer opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad 0,60 gram van een materiaal bevattende cocaïne,
97,69 gram van een materiaal bevattende MDMA, 605,92 gram van een materiaal bevattende GHB, en 573,14 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne, MDMA, GHB en amfetamine,
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1. primair overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
2. overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
3. overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
4. de eendaadse samenloop van:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair, feit 3 en feit 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 maanden. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte ter zake van feit 2 schuldig wordt verklaard, zonder oplegging van straf en/of maatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsadvies van VNN
d.d. 5 september 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 november 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op één dag schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten. Zo heeft hij zich opzettelijk zodanig in het verkeer gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, terwijl verdachte niet in bezit was van enig rijbewijs en verkeerde onder invloed van drugs en medicatie, door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Door het vertonen van dergelijk rijgedrag heeft verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. Verdachte heeft onaanvaardbare risicos genomen en heeft daarbij geen rekening gehouden met het gevaar voor de andere verkeersdeelnemers.
In het door verdachte bestuurde voertuig zijn daarnaast drugs aangetroffen. De verspreiding en het gebruik van harddrugs zijn een gevaar voor de volksgezondheid, brengen onrust in de samenleving teweeg en leiden veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van (andere) criminaliteit. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij hieraan een bijdrage levert.
Persoonlijke omstandigheden
De reclassering heeft in haar rapport d.d. 5 september 2025 het volgende over verdachte geschreven, zakelijk weergegeven. De reclassering signaleert geen beschermende factoren op de leefgebieden van verdachte en ziet risicos op het gebied van het ontbreken aan
dagbesteding en huisvesting, psychosociaal functioneren en middelengebruik. Voor zover bekend is er geen hulpverlening betrokken. De reclassering is van mening verdachte voldoende kansen heeft gehad om te kunnen profiteren van justitiële interventies. Verdachte blijkt niet in staat zich aan de afspraken te houden en trad eerder zelfs geheel uit contact. Ook heeft hij aangegeven geen behoefte te hebben aan een gesprek met de reclassering. Op dit moment zijn daarom de mogelijkheden wat betreft reclasseringsinterventies uitgeput. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaren al meermalen is veroordeeld, ook wegens Opiumwet-feiten. De laatste veroordeling was op 16 april 2025, zodat de situatie zoals bedoeld in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht aan de orde is. Verdachte is op dit moment gedetineerd tot en met juni 2026, in verband met het ondergaan van onherroepelijke gevangenisstraffen.
Straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten van het LOVS, in combinatie met het justitiële verleden van verdachte.
Alles afwegende vindt de rechtbank voor de misdrijven (feit 1 primair, 3 en 4) een vrijheidsbenemende straf, namelijk een gevangenisstraf van zes maanden passend en geboden. De rechtbank is voor wat betreft feit 4 uitgegaan van een lager gewicht aan harddrugs dan de officier van justitie, namelijk van een totaal van tussen de 500 en 1000 gram harddrugs. De reden hiervoor is dat de GHB in een vloeistof is aangetroffen en voor de tabel in de oriëntatiepunten omgerekend dient te worden naar grammen (maatstaf van 5 milliliter = 0,5 gram). De rechtbank komt daarom tot de oplegging van een gevangenisstraf van kortere duur dan door de officier van justitie is gevorderd.
Voor feit 3 zal de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 maanden opleggen. Voor de overtreding (feit 2) zal de rechtbank verdachte schuldig verklaren maar geen straf en/of maatregel opleggen, nu de rechtbank hierin geen meerwaarde ziet, gelet op de straf die zij voor de misdrijven zal opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 5 augustus 2021 van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 11 november 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Gelet op de omstandigheid dat deze voorwaardelijke straf bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof
d.d. 8 november 2022 volledig ten uitvoer is gelegd, zal de rechtbank, conform de vordering van de officier van justitie en het verzoek van de verdediging, de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Inbeslaggenomen goederen

De officier van justitie heeft gevorderd om de inbeslaggenomen telefoon en simkaart terug te geven aan verdachte en de inbeslaggenomen drugs en medicatie en het inbeslaggenomen mes te onttrekken aan het
verkeer.
De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen telefoon en simkaart moeten worden teruggegeven aan verdachte, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.
Ten aanzien van de inbeslaggenomen drugs en medicatie en het inbeslaggenomen mes zal de rechtbank geen beslissing nemen, nu het Openbaar Ministerie geen beslaglijst met goednummers aan het dossier heeft toegevoegd, waardoor het voor de rechtbank onduidelijk is op welke drugs en medicatie en welk mes de vordering van de officier van justitie ziet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 55, 57, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 5a, 8, 176, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 primair, 3 en 4 tot:
een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Ten aanzien van feit 3 voorts:
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen-bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van
zes maanden.
Ten aanzien van feit 2:

bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18.042900-21:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering na voorwaardelijke veroordeling.
Gelast de teruggaveaan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen, te weten:
  • Telefoon, merk Motorola, goednummer PL0100-2024267592-1759095;
  • Simkaart, merk Vodafone, goednummer PL0100-2024267592-1759097.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Dijkstra, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. L.F. Beitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 december 2025.
Mr. W.S. Sikkema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. De hierna te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde
opsporingsambtenaren opgemaakt.
De hierna te noemen bewijsmiddelen en paginas bevinden zich -tenzij anders aangegeven- in het dossier van politie Eenheid Noord-Nederland, District Fryslân, Basisteam Sneek/Crime Team, met proces-verbaalnummer 2024267983, gesloten op 17 maart 2025, doorgenummerd 1 tot en met 178.
2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 oktober 2024, pagina 21.
3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 oktober 2024, pagina 22.
4 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 november 2025.
5 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 30 september 2024, pagina 75 & 76.
6 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 oktober 2024, pagina 23.
7 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 november 2025.
8 Het proces-verbaal van rijden onder invloed d.d. 28 oktober 2024, pagina 13.
9 Het proces-verbaal van rijden onder invloed d.d. 28 oktober 2024, pagina 14.
10 Het proces-verbaal van rijden onder invloed d.d. 28 oktober 2024, pagina 15.
11 Een deskundigenrapport afkomstig van Maasstad Ziekenhuis , Maasstad Lab , zaaknummer
923240564375 , d.d. 24 oktober 2024, opgemaakt door T.M. Bosch, op de door hem afgelegde algemene belofte, pagina 151 & 152.
12 Een deskundigenrapport afkomstig van Maasstad Ziekenhuis , Maasstad Lab , zaaknummer
923240564375 , d.d. 24 oktober 2024, opgemaakt door T.M. Bosch, op de door hem afgelegde algemene belofte, pagina 152.
13 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 november 2025.
14 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 oktober 2024, pagina 23.
15 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 oktober 2024, pagina 26
& het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 20 februari 2025, pagina 154.
16 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 oktober 2024, pagina 26 & 27.
17 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 oktober 2024, pagina 34 & 35
& het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 3 oktober 2024, pagina 142.
18 Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 1 oktober 2024, pagina 95
& het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 3 oktober 2024, pagina 141.
19 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 20 februari 2025, pagina 153 & 154.
20 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 20 februari 2025, pagina 154.
21 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 20 februari 2025, pagina 155.
22 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 20 februari 2025, pagina 158.
23 Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie
en Veiligheid, zaaknummer 2025.01.21.136 (aanvraag 001), d.d. 21 januari 2025 opgemaakt door C.M.M. Diever Heezen, op de door haar afgelegde algemene belofte, pagina 161.
24 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 20 februari 2025, pagina 158 & 159.
25 Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie
en Veiligheid, zaaknummer 2025.01.21.136 (aanvraag 002), d.d. 21 januari 2025 opgemaakt door C.M.M. Diever Heezen, op de door haar afgelegde algemene belofte, pagina 162.
26 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 20 februari 2025, pagina 159.
27 Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie
en Veiligheid, zaaknummer 2025.01.21.136 (aanvraag 003), d.d. 21 januari 2025 opgemaakt door C.M.M. Diever Heezen, op de door haar afgelegde algemene belofte, pagina 163.
28 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 20 februari 2025, pagina 153 & 154.
29 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 20 februari 2025, pagina 156.
30 Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie
en Veiligheid, 2025.01.21.136 (aanvraag 004), d.d. 21 januari 2025 opgemaakt door C.M.M. Diever Heezen, op de door haar afgelegde algemene belofte, pagina 164.
31 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 3 oktober 2024, pagina 141 & 142.
32 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 3 oktober 2024, pagina 143.
33 Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie
en Veiligheid, 2024.10.02.222 (aanvraag 001), d.d. 3 oktober 2024, opgemaakt door C.M.M. Diever Heezen, op de door haar afgelegde algemene belofte, pagina 165.
34 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 3 oktober 2024, pagina 141.
35 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 3 oktober 2024, pagina 142.
36 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 3 oktober 2024, pagina 143.
37 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 3 oktober 2024, pagina 143 & 144.
38 Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie
en Veiligheid, 2024.10.02.222 (aanvraag 002), d.d. 3 oktober 2024 opgemaakt door C.M.M. Diever Heezen, op de door haar afgelegde algemene belofte, pagina 168.
39 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 3 oktober 2024, pagina 144 & 145.
40 Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie
en Veiligheid, 2024.10.02.222 (aanvraag 003), d.d. 3 oktober 2024 opgemaakt door C.M.M. Diever Heezen, op de door haar afgelegde algemene belofte, pagina 167.
41 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 3 oktober 2024, pagina 146 & 147.
42 Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie
en Veiligheid, 2024.10.02.222 (aanvraag 004), d.d. 3 oktober 2024 opgemaakt door C.M.M. Diever Heezen, op de door haar afgelegde algemene belofte, pagina 166.
43 Fotoblad met proces-verbaalnummer 2024267592, pagina 117 e.v.
44 Fotoblad met proces-verbaalnummer 2024267592, pagina 117.
45 Fotoblad met proces-verbaalnummer 2024267592, pagina 119.
46 Fotoblad met proces-verbaalnummer 2024267592, pagina 120.
47 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 november 2025.
48 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 oktober 2024, pagina 38.
49 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] d.d. 11 november 2024, pagina 58.
50 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] d.d. 11 november 2024, pagina 60.
51 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] d.d. 11 november 2024, pagina 59.
52 HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945, r.o. 3.3.1. & 3.3.2.
53 HR 25 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9587, r.o. 5.2.
54 HR 5 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9993, r.o. 2.3.
55 HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, r.o. 2.5.