ECLI:NL:RBNNE:2025:4698

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
15 september 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
LEE 25/349
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 AVGArt. 17 AVGArt. 82 AVGArt. 6:106 BWArt. 1:238 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op schadevergoeding wegens te late vernietiging persoonsgegevens door Raad voor de Kinderbescherming

Eiser verzocht op grond van artikel 17 van Pro de AVG om vernietiging van alle persoonsgegevens die de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) over hem heeft verwerkt. De RvdK vernietigde de gegevens van strafonderzoeken, maar weigerde de kinderbeschermingsonderzoeken te verwijderen. De rechtbank oordeelt dat de RvdK terecht de kinderbeschermingsonderzoeken bewaart op grond van een wettelijke taak van algemeen belang en bewaartermijnen volgens de Archiefwet en selectielijst.

De rechtbank stelt vast dat de RvdK het verzoek tot vernietiging van de strafonderzoeken te laat heeft uitgevoerd, waardoor de persoonsgegevens langer dan toegestaan toegankelijk waren. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat derden, waaronder het Pieter Baan Centrum, mogelijk kennis hebben genomen van deze gegevens. Dit vormt een inbreuk op zijn privacy.

Op grond van artikel 82 AVG Pro in samenhang met artikel 6:106 BW Pro heeft eiser recht op een schadevergoeding. De rechtbank kent een symbolische vergoeding van €125,- toe vanwege de aantasting van de persoonlijke belangen van eiser. Daarnaast moet de RvdK het griffierecht en reiskosten van eiser vergoeden.

Het beroep wordt gegrond verklaard voor zover het gaat om de schadevergoeding, het overige wordt afgewezen. De uitspraak bevestigt het belang van tijdige vernietiging van persoonsgegevens en de zorgvuldige belangenafweging bij verwerking door een overheidsorgaan.

Uitkomst: De rechtbank kent eiser een schadevergoeding van €125,- toe wegens te late vernietiging van persoonsgegevens door de Raad voor de Kinderbescherming.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/349

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

Raad voor de Kinderbescherming, de RvdK

(gemachtigde: mr. B. Rijkse).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser om vernietiging van alle persoonsgegevens die de RvdK over hem heeft verwerkt. Het kinddossier bij de RvdK bevat dertien kindzaken, waarvan elf strafonderzoeken en twee onderzoeken naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel. De RvdK heeft het verzoek toegewezen ten aanzien van de strafonderzoeken en het verzoek afgewezen ten aanzien van de kinderbeschermingsonderzoeken. Eiser wil dat de kinderbeschermingsonderzoeken ook vernietigd worden. Daarnaast stelt hij dat een bestuurlijke dwangsom van € 322,- is verbeurd en wil hij een schadevergoeding omdat de RvdK te laat tot vernietiging van de strafonderzoeken is overgegaan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser recht heeft op schadevergoeding. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 10 juni 2024 op grond van artikel 17, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) verzocht om vernietiging van alle persoonsgegevens die de RvdK over hem heeft verwerkt.
2.1.
De RvdK heeft het verzoek op 4 september 2024 deels toegewezen en deels afgewezen. De kindzaken kinderbeschermingsonderzoeken worden niet verwijderd/vernietigd en de kindzaken strafonderzoeken worden wel verwijderd/vernietigd.
2.2.
Met het bestreden besluit van 6 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de RvdK bij dat besluit gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de RvdK.

Beoordeling door de rechtbank

Had de RvdK ook de kinderbeschermingsonderzoeken moeten vernietigen?
3. Eiser stelt dat de RvdK onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet is overgegaan tot verwijdering van het kinddossier en de kindzaken beschermingsonderzoeken. Hij vindt dat het besluit indruist tegen zijn recht op vergetelheid.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het verzoek van eiser betreft een verzoek tot wissing van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de AVG (het zogenoemde recht op vergetelheid). Zo’n verzoek moet, op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG onder meer worden toegewezen als de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt.
3.2.
Op grond van artikel 6, eerste lid, van de AVG is de verwerking van persoonsgegevens alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de in a tot en met f genoemde voorwaarden is voldaan. Volgens de RvdK is hier voorwaarde e van toepassing: de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e van de AVG).
3.3.
Op grond van artikel 17, derde lid, onder b, van de AVG heeft eiser geen recht op wissing van persoonsgegevens voor zover de verwerking nodig is voor het nakomen van een in het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend.
3.4.
In dit geval stelt de RvdK zich op het standpunt dat hij een gerechtvaardigde grond heeft om de betreffende persoonsgegevens te verwerken en dat eiser geen beroep kan doen op artikel 17, eerste lid, van de AVG, gelet op de taak van algemeen belang van de RvdK. Ook is de RvdK van mening dat het belang van het doen van een gedegen onderzoek zwaarder weegt dan de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiser.
3.5.
Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [1] overweegt de rechtbank dat een verwerkingsverantwoordelijke bij een verzoek om wissing in de zin van artikel 17 van Pro de AVG, gelet op de systematiek en de tekst van dat artikel, eerst mag beoordelen of zich de uitzondering van artikel 17, derde lid, in dit geval onder b, van de AVG voordoet. Als deze uitzondering zich voordoet, mag de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens verwerken en is het eerste lid van artikel 17 van Pro de AVG niet van toepassing.
3.6.
Bij de beoordeling van de vraag of eiser op grond van artikel 17, derde lid, onder b, van de AVG het recht heeft op wissing van zijn persoonsgegevens, sluit de rechtbank aan bij het toetsingskader dat van toepassing is bij de verwerking van persoonsgegevens ter vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de AVG. Zoals hiervoor overwogen, geeft de RvdK aan de gegevens op deze grondslag te hebben verwerkt.
3.7.
De rechtsgrond voor gegevensverwerking op grond van de vervulling van een taak van algemeen belang moet op grond van artikel 6, derde lid, aanhef en onder b, van de AVG zijn vastgesteld in het nationale recht dat op de betrokkene van toepassing is. Volgens punt 41 van de considerans van de AVG behoeft de rechtsgrond niet noodzakelijkerwijs in een wet in formele zin te zijn vastgelegd, maar moet de rechtsgrond wel “duidelijk en nauwkeurig zijn, en de toepassing daarvan moet voorspelbaar zijn voor degenen op wie deze van toepassing is”. Uit punt 45 van de considerans volgt verder dat niet voor elke afzonderlijke verwerking specifieke wetgeving vereist is en dat kan worden volstaan met wetgeving die als basis fungeert voor verwerking op grond van een wettelijke verplichting of die noodzakelijk is voor de vervulling van een taak in het kader van de uitoefening van het gezag. Ook blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming kan de wettelijke rechtsgrondslag voor de publieke taak ook worden beschouwd als rechtsgrondslag voor de verwerking van persoonsgegevens als het noodzakelijk is om voor de uitvoering van de publieke taak persoonsgegevens te verwerken. Het doel van de gegevensverwerking is daarbij naar zijn aard wel gebonden aan de uitoefening van die publieke taak, en de ruimte voor gegevensverwerking vindt hierin zijn begrenzing. [2]
3.8.
Volgens artikel 1:238, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is er één Raad voor de Kinderbescherming. Op grond van het tweede lid van dit artikel bepaalt de wet de taken en bevoegdheden van de Raad voor de Kinderbescherming. De kerntaken liggen op het terrein van kinderbescherming, gezag- en omgangszaken in het geval van echtscheiding, op het gebied van het strafrecht en op het terrein van afstamming en adoptie. Bij de uitoefening van de taken zijn enkele rechtsbeginselen uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind richtinggevend (vooral neergelegd in de artikelen 3, 5, 6, 9, 12 en 2).
3.9.
De werkwijze van de RvdK is vastgelegd in het Kwaliteitskader RvdK 2021 (hierna: Kwaliteitskader). Het Kwaliteitskader is leidend bij de behandeling van zaken door medewerkers van de Raad. Voor cliënten geeft het Kwaliteitskader duidelijkheid over wat zij van de Rdvk mogen verwachten en waar zij een beroep op kunnen doen als zij met de Rdvk in contact komen. Het bevat algemene uitgangspunten en kwaliteitseisen die van toepassing zijn op de behandeling van alle casuïstiek.
3.10.
In het Kwaliteitskader staat in paragraaf 4.6 de werkwijze van de RvdK met betrekking tot dossiervorming en privacybewaking beschreven. Daarin is aangegeven: “Het registreren van alle stappen in ons onderzoek naar een kind is nodig om:
  • een heldere verantwoording over ons handelen aan onze cliënten te kunnen geven – ook nog jaren na onze interventie;
  • ons als organisatie meer in het algemeen over ons werk te kunnen verantwoorden, tegenover de samenleving en de politiek.”
3.11.
Onder verwijzing naar uitspraken van de Afdeling [3] overweegt de rechtbank dat uit artikel 17, derde lid, aanhef en onder b, van de AVG volgt dat op het bestuur geen plicht rust om persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen indien op haar een wettelijke verwerkingsplicht rust. Op grond van artikel 3 van Pro de Archiefwet is het bestuur verplicht de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van de daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden.
3.12.
Volgens Deel II, Cluster 1, kinderbescherming (pagina 93) van de selectielijst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en rechtsvoorgangers vanaf 5 mei 1945, vastgesteld op 9 april 2021 (Stcrt. 12 april 2021, nr. 17848), die is vastgesteld krachtens artikel 5 van Pro de Archiefwet, geldt voor de bewaartermijnen bij de RvdK dat het soort bemoeienis van de RvdK bepaalt of het dossier uiteindelijk wordt vernietigd en op welk moment dat gebeurt. In deze selectielijst is onder volgnummer 8.7 opgenomen dat een beschermingsonderzoek, zoals in het geval van eiser is uitgevoerd, 100 jaar na de geboorte van het kind wordt vernietigd.
3.13.
Naar het oordeel van de rechtbank voert de RvdK een taak van algemeen belang uit. Het Kwaliteitskader is verder een duidelijke en nauwkeurige rechtsgrondslag als bedoeld in punt 41 in de considerans. Het Burgerlijk Wetboek, het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en de beleidsregel fungeren als basis voor de verwerking op grond van de vervulling van een taak van algemeen belang. De verwerking van de gegevens waarvan eiser om wissing vraagt, zijn voorts noodzakelijk ter uitvoering van de door de RvdK uit te voeren taak van algemeen belang als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de AVG. De RvdK heeft zich daarom kunnen beroepen op de uitzonderingsgrond van artikel 17, derde lid, aanhef en onder e, van de AVG, als gevolg waarvan eiser geen recht heeft op vernietiging van de dossiers.
3.14.
De RvdK heeft aangegeven in het kader van zorgvuldigheid een belangenafweging te hebben verricht. Volgens de RvdK staat het bewaren van persoonsgegevens eiser niet in de weg aan het maken van een nieuwe start, mede omdat de gegevens niet – zomaar – door anderen te raadplegen zijn, terwijl het bewaren van de gegevens noodzakelijk kan zijn voor (toekomstige) betrokkenheid van de RvdK bij (familie van) eiser. De RvdK heeft op zitting desgevraagd toegelicht dat de inhoud van het dossier geen verschil maakt voor de beoordeling van een vernietigingsverzoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat de RvdK had moeten afwijken van de geldende bewaartermijn. De RvdK heeft mogen oordelen dat eiser zijn persoonlijke belang daar onvoldoende grond voor geeft.
Is er een bestuurlijke dwangsom verbeurd?4. De rechtbank is van oordeel dat de RvdK ter zitting voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat het verzoek van eiser op 19 juni 2024 is ontvangen en dat op 17 juli 2024, aldus tijdig, schriftelijk de beslistermijn is verlengd. Aldus is de RvdK geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd. De beroepsgrond slaagt niet en de verwijzing naar de jurisprudentie treft geen doel.
Heeft eiser recht op een schadevergoeding?
5. Eiser stelt dat de Justitiële informatiedienst (Justid) en/of het Pieter Baan Centrum (PBC) en/of NIFP toegang hebben tot het dossier van de RvdK. Hij veronderstelt dat de rapporteur van het PBC voor het onderzoek naar eiser zijn geestesvermogens het dossier van de RvdK heeft geraadpleegd. Dit was niet gebeurd als de RvdK tijdig tot vernietiging was overgegaan. Eiser wil een schadevergoeding omdat hij frustratie heeft ondervonden als gevolg van het niet tijdig verwijderen van de elf strafonderzoeken. De schade is evident, reeds wegens derving aan vertrouwen in de overheid en het schenden van het recht op privacy. Het gaat namelijk om bijzonder privacygevoelige gegevens.
5.1.
De RvdK heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat de kindzaken strafonderzoeken ongeveer een week na het primaire besluit – dus medio september 2024 –
zijn vernietigd. Niet in geschil is dat de gegevens meer dan een jaar te laat zijn verwijderd. De RvdK stelt dat echter niet is gebleken van enige schade voor eiser. De onrechtmatigheid is bij het besluit van 4 september 2024 namelijk direct hersteld. Bovendien blijkt uit de logging in het systeem dat geen medewerker van de RvdK vanaf eisers 24e verjaardag het dossier heeft geraadpleegd. Het gegeven dat de rapporteur van het PBC heeft kunnen zien dat er rapporten door de RvdK zijn uitgebracht, heeft niets te maken met het feit dat de kindzaken strafonderzoeken zijn verwijderd. Uitgaande van de tekst uit het rapport die eiser aan zijn beroepschrift heeft gehecht, heeft de rapporteur van het PBC het persoonsdossier in het justitieel documentatiesysteem geraadpleegd (en niet het dossier van de RvdK).
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt. De RvdK heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat derden geen kennis hebben genomen of hebben kunnen nemen van de gegevens die al vernietigd hadden moeten zijn. Gelet op de inhoud van het dossier is het bovendien niet uit te sluiten dat deze gegevens wel degelijk voor het PBC toegankelijk zijn geweest. Uit de door eiser overgelegde pagina uit de rapportage van het PBC blijkt immers dat de door de RvdK te verwijderen rapporten deel uitmaakten van de voor het PBC beschikbare stukken. Nu vaststaat dat het om informatie gaat die ten tijde van het PBC-onderzoek vernietigd had moeten zijn, heeft eiser reeds daarmee de gestelde schade in voldoende mate aannemelijk gemaakt. Dat de raadsrapporten door het PBC niet als bron zijn gebruikt maakt dat niet anders.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser als gevolg van de te late verwijdering in zijn persoon aangetast. Dat betekent dat eiser op grond van artikel 82 van Pro de AVG in samenhang met artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.
5.4.
Het uitgangspunt is dat eiser de door hem gestelde schade met concrete gegevens moet onderbouwen. Eiser heeft ter zitting aangegeven voornamelijk erkenning te willen bijvoorbeeld door toewijzing van een symbolische vergoeding. De rechtbank acht in dat licht een schadevergoeding van € 125,- voor eiser redelijk en zal de RvdK hiertoe veroordelen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat de RvdK aan eiser een schadevergoeding had moeten toekennen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij geen schadevergoeding is toegekend. Voor het overige is het beroep ongegrond.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de RvdK het griffierecht en de reiskosten aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 6 januari 2025 voor zover daarin is beslist geen
schadevergoeding aan eiser toe te kennen;
- veroordeelt de RvdK tot het betalen van € 125,- aan schadevergoeding aan eiser;
- bepaalt dat de RvdK het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- bepaalt dat de RvdK de reiskosten van € 18,58 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)
Artikel 6
Rechtmatigheid van de verwerking
1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:
a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden;
b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen;
c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;
d) de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen;
e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;
f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.
De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken.
2. De lidstaten kunnen specifiekere bepalingen handhaven of invoeren ter aanpassing van de manier waarop de regels van deze verordening met betrekking tot de verwerking met het oog op de naleving van lid 1, punten c) en e), worden toegepast; hiertoe kunnen zij een nadere omschrijving geven van specifieke voorschriften voor de verwerking en andere maatregelen om een rechtmatige en behoorlijke verwerking te waarborgen, ook voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX.
3. De rechtsgrond voor de in lid 1, punten c) en e), bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij:
a) Unierecht; of
b) lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is. Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld of is met betrekking tot de in lid 1, punt e), bedoelde verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. Die rechtsgrond kan specifieke bepalingen bevatten om de toepassing van de regels van deze verordening aan te passen, met inbegrip van de algemene voorwaarden inzake de rechtmatigheid van verwerking door de verwerkingsverantwoordelijke; de types verwerkte gegevens; de betrokkenen; de entiteiten waaraan en de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens mogen worden verstrekt; de doelbinding; de opslagperioden; en de verwerkingsactiviteiten en -procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een rechtmatige en behoorlijke verwerking, zoals die voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX. Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel.
4. Wanneer de verwerking voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld niet berust op toestemming van de betrokkene of op een Unierechtelijke bepaling of een lidstaatrechtelijke bepaling die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23, lid 1, bedoelde doelstellingen houdt de verwerkingsverantwoordelijke bij de beoordeling van de vraag of de verwerking voor een ander doel verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld onder meer rekening met:
a) ieder verband tussen de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, en de doeleinden van de voorgenomen verdere verwerking;
b) het kader waarin de persoonsgegevens zijn verzameld, met name wat de verhouding tussen de betrokkenen en de verwerkingsverantwoordelijke betreft;
c) de aard van de persoonsgegevens, met name of bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt, overeenkomstig artikel 9, en of persoonsgegevens over strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten worden verwerkt, overeenkomstig artikel 10;
d) de mogelijke gevolgen van de voorgenomen verdere verwerking voor de betrokkenen;
e) het bestaan van passende waarborgen, waaronder eventueel versleuteling of pseudonimisering.
Artikel 17
Recht op gegevenswissing („recht op vergetelheid”)
1. De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is:
a) de persoonsgegevens zijn niet langer nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt;
b) de betrokkene trekt de toestemming waarop de verwerking overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt a), of artikel 9, lid 2, punt a), berust, in, en er is geen andere rechtsgrond voor de verwerking;
c) de betrokkene maakt overeenkomstig artikel 21, lid 1, bezwaar tegen de verwerking, en er zijn geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking, of de betrokkene maakt bezwaar tegen de verwerking overeenkomstig artikel 21, lid 2;
d) de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt;
e) de persoonsgegevens moeten worden gewist om te voldoen aan een in het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;
f) de persoonsgegevens zijn verzameld in verband met een aanbod van diensten van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 8, lid 1.
2. Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens openbaar heeft gemaakt en overeenkomstig lid 1 verplicht is de persoonsgegevens te wissen, neemt hij, rekening houdend met de beschikbare technologie en de uitvoeringskosten, redelijke maatregelen, waaronder technische maatregelen, om verwerkingsverantwoordelijken die de persoonsgegevens verwerken, ervan op de hoogte te stellen dat de betrokkene de verwerkingsverantwoordelijken heeft verzocht om iedere koppeling naar, of kopie of reproductie van die persoonsgegevens te wissen.
3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover verwerking nodig is:
a) voor het uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie;
b) voor het nakomen van een in een het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend;
c) om redenen van algemeen belang op het gebied van volksgezondheid overeenkomstig artikel 9, lid 2, punten h) en i), en artikel 9, lid 3;
d) met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden overeenkomstig artikel 89, lid 1, voor zover het in lid 1 bedoelde recht de verwezenlijking van de doeleinden van die verwerking onmogelijk dreigt te maken of ernstig in het gedrang dreigt te brengen;
e) voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Afdeling van 30 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2315 en ECLI:NL:RVS:2020:2316) en 22 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2067)
2.Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, blz. 35.
3.Zie de uitspraken van 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2419 en 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1028.