Beoordeling door de rechtbank
9. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de brief van 7 januari 2019 (zie 6.) juist heeft gekwalificeerd, het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en terecht niet is overgegaan tot ambtshalve vermindering. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
10. De rechtbank is van oordeel dat het antwoord op alle drie punten (zie 9.) bevestigend luidt
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
11. Eiseres stelt dat de inspecteur haar een teruggaaf omzetbelasting moet verlenen omdat zij, gelet op de niet-betaling door de bedrijven van [A], een te hoog bedrag aan omzetbelasting heeft voldaan. Volgens eiseres is zij pas in 2023 ‘opgezegd’ door de bedrijven van [A]. Ook stelt eiseres dat zij een teruggaafverzoek vormvrij kan doen, dus ook per aparte brief. Dit doet eiseres ook voor haar klanten en die verzoeken neemt de inspecteur volgens haar altijd in behandeling. Voor zover de brief van eiseres van 7 januari 2019 (zie 6.) aangemerkt moet worden als bezwaar tegen de voldoening op aangifte voor het derde kwartaal van 2018, stelt eiseres dat zij de brief van ‘november 2018’ (zie 7.) ook daadwerkelijk in november 2018 heeft overhandigd aan een medewerker van de Belastingdienst, [A]. Die brief kan ook als bezwaarschrift worden aangemerkt en alsdan is het bezwaar tegen de voldoening op aangifte voor het derde kwartaal van 2018 wél tijdig ingediend. Indien en voor zover de rechtbank eiseres niet volgt in deze stelling, is volgens eiseres sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding met betrekking tot de brief van 7 januari 2019 omdat haar gemachtigde een eenpitter is en niet genoeg tijd heeft voor al zijn werkzaamheden.
12. De inspecteur stelt dat eiseres, met haar brief van 7 januari 2019 (zie 6.) waarin zij heeft verzocht om een teruggaaf, niet aan het formele vereiste heeft voldaan dat het bedrag van de teruggaaf in mindering wordt gebracht in de aangifte voor het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Verder stelt de inspecteur dat eiseres het bedrag van de teruggaaf uiterlijk in mindering kon brengen in de aangifte voor het derde kwartaal van 2018, omdat de laatste facturen dateren van 9 augustus 2017. Voor zover de brief van 7 januari 2019 (zie 6.) moet worden aangemerkt als bezwaar tegen de voldoening op aangifte voor derde kwartaal van 2018, is dat bezwaar pas na het verstrijken van de bezwaartermijn ingediend omdat de voldoening op aangifte voor dat kwartaal is gedaan op 30 oktober 2018. Dit betekent volgens de inspecteur dat hij het bezwaar terecht nietontvankelijk heeft verklaard.
13. Ter verduidelijking van het toetsingskader dat de rechtbank hanteert, heeft zij als bijlage bij deze uitspraak een overzicht gevoegd van enkele relevante wetsbepalingen.
14. De rechtbank overweegt als volgt. De wetgever heeft voorgeschreven op welke wijze een teruggaafverzoek moet worden gedaan: bij de aangifte voor het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan, waarbij het bedrag van de teruggaaf in de aangifte in mindering wordt gebracht.De inspecteur beslist vervolgens op een aldus ingediend verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.Vaststaat dat eiseres haar teruggaafverzoek niet op de wettelijk voorgeschreven wijze heeft ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de brief van 7 januari 2019 dan ook terecht niet aangemerkt als een teruggaafverzoek, en op juiste grond in behandeling genomen als bezwaar tegen de voldoening op aangifte. De stelling van eiseres dat de inspecteur bij haar klanten wel teruggaafverzoeken in behandeling neemt die per brief zijn ingediend, doet hieraan niet af. Daartoe overweegt de rechtbank dat de inspecteur deze stelling ter zitting heeft betwist en dat eiseres geen (nadere) feiten heeft gesteld op grond waarvan een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan worden gehonoreerd.
15. De manier waarop de wetgever de teruggaaf van omzetbelasting heeft geregeld, brengt met zich dat de nietbetaling door de bedrijven van [A] op zich tot vermindering van de door eiseres verschuldigde omzetbelasting kan leiden. Voor de beantwoording van de vraag of eiseres tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de voldoening op aangifte, is van belang
in welk tijdvakhet recht op teruggaaf is ontstaan. Uit de brief van 7 januari 2019 (zie 6.) kan de rechtbank dit echter niet afleiden en ook de door de gemachtigde van eiseres ter zitting gegeven toelichting bieden hiervoor geen enkel houvast. De inspecteur heeft aan de hand van de wettelijke bepalingen over het ontstaansmoment van het recht op teruggaaf beredeneerd dat het bezwaar betrekking moet hebben op het derde kwartaal van 2018. Eiseres heeft daar niets tegen ingebracht. De rechtbank kan de inspecteur in zijn redenering volgen en licht dit hierna toe.
16. In het geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de in rekening gebrachte vergoeding, wordt vanaf 1 januari 2017 het recht op teruggaaf geacht te zijn ontstaan uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden.Vóór 1 januari 2017 gold dat het recht op teruggaaf van omzetbelasting niet eerder geacht kan worden te ontstaan dan op het tijdstip waarop redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de voldoening door de schuldenaar achterwege zal blijven.
17. De rechtbank gaat eerst in op de vergoedingen die eiseres ná 1 januari 2017 aan de bedrijven van [A] in rekening heeft gebracht. De laatste facturen die eiseres heeft uitgereikt hebben als dagtekening 9 augustus 2017. Op deze facturen is vermeld dat binnen een termijn van 30 dagen betaald moet worden, zodat de rechtbank - bij gebrek aan andere aanknopingspunten - ervan uitgaat dat de vergoedingen op 7 september 2017 opeisbaar zijn geworden. Dit betekent dat het recht op teruggaaf ter zake hiervan
uiterlijkis ontstaan op 7 september 2018, zodat eiseres in de aangifte voor het derde kwartaal van 2018 het bedrag van de teruggaaf in mindering had moeten brengen. Dat laatste heeft eiseres niet gedaan en in zoverre zou haar bezwaar tegen de voldoening op aangifte over dat kwartaal tot een vermindering hebben kunnen leiden, ware het niet dat zij te laat was met haar bezwaar. De datum van voldoening over het derde kwartaal 2018 is 30 oktober 2018. De bezwaartermijn verstreek derhalve op 11 december 2018. De inspecteur heeft het - door hem als zodanig aangemerkte - bezwaar ontvangen op 7 januari 2019. Dat is buiten de bezwaartermijn, zodat in beginsel moet worden geoordeeld dat de inspecteur het bezwaar terecht nietontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding.
18. Eiseres stelt evenwel dat haar gemachtigde de brief met als dagtekening ‘november 2018’ (zie 6.) in november ten kantore van de inspecteur heeft afgeleverd en dat de heer Oosting (een medewerker van de Belastingdienst) voor ontvangst heeft getekend, zodat tijdig bezwaar is ingediend tegen de voldoening op aangifte over het derde kwartaal van 2018. De inspecteur heeft deze stelling ter zitting gemotiveerd weersproken door erop te wijzen dat hij de brief met dagtekening ‘november 2018’ niet eerder heeft ontvangen dan als bijlage 1 bij de brief van 7 januari 2019 (zie 6.), die hij op die laatste datum heeft ontvangen. Ter onderbouwing van haar stelling heeft eiseres ter zitting nog gewezen op het tweede blad van bijlage 3 bij het verweerschrift. Dit blad betreft een afschrift van de brief van ‘november 2018’ waarop drie handtekeningen staan, waarvan ten minste een van de gemachtigde van eiseres. Dit afschrift bevat echter geen ontvangststempel van de Belastingdienst of ander teken waaruit de rechtbank kan afleiden dat deze brief daadwerkelijk door de inspecteur in november 2018 in ontvangst is genomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, eiseres ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inspecteur de brief met dagtekening ‘november 2018’ in november 2018 heeft ontvangen, zodat het bezwaar pas buiten de bezwaartermijn is ontvangen. De inspecteur heeft het bezwaar dus in beginsel terecht nietontvankelijk verklaard.
19. Voor wat betreft de vergoedingen die eiseres vóór 1 januari 2017 in rekening heeft gebracht, overweegt de rechtbank dat de bedrijven van [A] vanaf 2006 geen betalingen meer hebben verricht op de facturen die eiseres aan hen heeft uitgereikt en dat vanaf dit jaar sprake was van een gebrouilleerde verhouding. Niettemin is eiseres jarenlang doorgegaan met het uitreiken van facturen, terwijl zij al die tijd niets betaald heeft gekregen. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat uiterlijk in 2008 redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de facturen van 2006 en de later uitgereikte jaren niet zouden worden voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft voor de in 2008 tot 1 januari 2017 uitgereikte facturen te gelden dat hiervan aanstonds bij uitreiking daarvan kan worden aangenomen dat deze nooit zouden worden voldaan. De rechtbank betrekt hierbij dat eiseres in de onderhavige jaren geen invorderingsmaatregelen tegen de bedrijven van [A] heeft genomen, maar is blijven doorgaan met het - tegen beter weten in - uitreiken van facturen. Voor al deze vergoedingen geldt dat de teruggaafverzoeken gedaan hadden moeten worden bij de aangiften voor andere/eerdere tijdvakken dan het derde kwartaal van 2018, zodat het bezwaarschrift voor zover het betrekking heeft op deze voldoeningen, vér buiten de bezwaartermijn is ingediend. De stelling van eiseres dat zij pas in 2023 is ‘opgezegd’ door de bedrijven van [A] doet aan dit oordeel niet af, omdat dit niet het criterium is waaraan getoetst moet worden.
Is de te late indiening van het bezwaar verschoonbaar?
20. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat hij een eenpitter is en niet voldoende capaciteit heeft om alle werkzaamheden (tijdig) uit te voeren. De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij. Eventuele onvolkomenheden in de kantoorvoering van de gemachtigde vallen in de risicosfeer van eiseres en maken niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De conclusie van de rechtbank is dat het bezwaar tegen de voldoening(en) op aangifte buiten de bezwaartermijn is ingediend, en dat dit niet verschoonbaar is, zodat de inspecteur bezwaar terecht nietontvankelijk heeft verklaard. Aan een inhoudelijke beoordeling komt de rechtbank kortom niet toe.
21. De rechtbank overweegt dat een ambtshalve beslissing op grond van artikel 65 van de AWR, daar waar het gaat om de omzetbelasting, door de wetgever niet is aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. Gelet op het zogenoemde gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat dan ook geen beroep open.Dit betekent dat de rechtbank niet bevoegd is een inhoudelijk oordeel te geven over de ambtshalve beslissing van de inspecteur om eiseres geen vermindering te verlenen. De civiele rechter is als restrechter bevoegd.
22. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij zich heeft afgevraagd of de brief van 7 januari 2019 nog als iets anders kan worden gekwalificeerd, bijvoorbeeld als een bezwaar tegen een eventuele voldoening op aangifte over het vierde kwartaal van 2018 of als een suppletie van aangiften die binnen de daarvoor geldende vijfjaarstermijn vallen. Omdat de gemachtigde van eiseres deze kant van deze zaak onderbelicht heeft gelaten en het niet eens niet duidelijk is op welk(e) tijdvak(ken) het teruggaafverzoek volgens hem betrekking zou hebben, ziet de rechtbank geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:69 van de Awb haar oordeel uit te breiden.