Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verdachte] ,
- zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] te brengen, en/of
- die [slachtoffer] te zoenen.
Rechtbank Noord-Nederland
In deze zaak stond verdachte terecht wegens het ten laste gelegde seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer, die in een toestand van bewusteloosheid of verminderd bewustzijn verkeerde. Het incident zou hebben plaatsgevonden op of omstreeks 1 januari 2024 in de gemeente Veendam.
De officier van justitie vorderde vrijspraak omdat het bewijs onvoldoende was om aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro te voldoen. Hoewel de verklaring van het slachtoffer consistent en betrouwbaar werd geacht, ontbrak het aan voldoende steunbewijs uit onafhankelijke bronnen. Getuigen verklaarden over de emotionele toestand van het slachtoffer, maar dit was onvoldoende om de belastende verklaring te ondersteunen. Forensisch onderzoek leverde geen DNA-sporen van verdachte op.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van het slachtoffer niet voldoende werd ondersteund door ander bewijs en dat het bewijsminimum niet was gehaald. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. De vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het ten grondslag liggende feit niet bewezen was. De benadeelde partij werd verwezen naar de burgerlijke rechter voor haar vordering.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van voldoende steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer.