Uitspraak
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst MKB/kantoor Leeuwarden, de inspecteur
Inleiding
Feiten
“1.1 Reikwijdte van het onderzoek
Onderzocht is de aanvaardbaarheid van:
- de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van de jaren 2016 tot en met 2020
- de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021
Hereby I declare that I had in my stables in [plaatsnaam] , Poland, for selling.
Bij deze verklaar ik dat naar mijn idee en waarneming de handelingen en beslissingen omtrent de paarden hobby van [eiser en zijn echtgenote] door hen beiden in gezamenlijkheid verricht werden.
Regelmatig hebben wij over de paardenhobby gesproken, waarbij het voor mij altijd duidelijk was dat het een gezamenlijke passie betrof, en dat de beslissingen en ideeen door hen gezamenlijk werden genomen en gevormd.”
Bij deze verklaar ik dat [eiser en zijn echtgenote] beiden verantwoordelijk zijn geweest en nog zijn voor het bedrijven van hun paardenhobby.
Beoordeling door de rechtbank
inclusiefomzetbelasting en daaruit de omzetbelasting berekend aan de hand van de formule 21/121. De uitkomst van die berekening is het bedrag van de naheffingsaanslag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur daarmee de facto (materieel) de margeregeling toegepast, zodat dit standpunt van eiser feitelijke grondslag mist. Dit geldt ook voor het standpunt van eiser dat hij 5,4% van de waarde van de inkopen bij vrijgestelde veehandelaren of landbouwers als voorbelasting in aftrek mag brengen, omdat de inspecteur feitelijk omzetbelasting heeft berekend over de behaalde marge en niet over de gehele bruto-omzet.
van die dieren. [5] Vast staat dat de paarden niet zijn bestemd voor deze doeleinden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.