Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2024:3899

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 oktober 2024
Publicatiedatum
3 oktober 2024
Zaaknummer
C/18/237408 / FT RK 24/987 en C/18/237409 / FT RK 24/988
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 FaillissementswetVerordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens selectieve betaling en gebrek aan goede trouw

Verzoekers hebben een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend na een minnelijk traject. Tijdens de procedure bleek dat zij een bedrag van €6.345,64, afkomstig uit de afkoop van een polis, hadden gebruikt om een lening af te lossen bij de moeder van een van hen, terwijl deze schuld niet was opgenomen in het schuldenoverzicht en waarschijnlijk niet in de WSNP zou worden ingediend.

De rechtbank oordeelde dat deze selectieve betaling in de fase tussen het minnelijke traject en de aanvraag van de WSNP onaanvaardbaar is. Verzoekers hadden de opbrengst moeten aanhouden om deze te verdelen onder alle schuldeisers volgens de schuldsaneringsregeling. Door slechts één schuldeiser te betalen, handelden zij niet te goeder trouw ten opzichte van de overige schuldeisers.

Daarnaast concludeerde de rechtbank dat verzoekers in het minnelijke traject niet het maximaal haalbare bod hebben gedaan, ondanks hun verklaring in het overdrachtsdocument. Gezien deze feiten voldoet het verzoek niet aan artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder b van de Faillissementswet.

Bijzondere omstandigheden die toelating tot de schuldsaneringsregeling zouden kunnen rechtvaardigen, zijn niet aangevoerd of gebleken. Daarom wijst de rechtbank de verzoeken af.

Uitkomst: Verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling worden afgewezen wegens selectieve betaling en gebrek aan goede trouw.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummers: C/18/237408 / FT RK 24/987 en C/18/237409 / FT RK 24/988
vonnis van 2 oktober 2024
in de zaak van:
[verzoeker 1],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
voorheen handelend onder de naam [bedrijf] ,
gevestigd aan [adres]
,
en
[verzoeker 2],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
vennoot van [bedrijf] ,
gevestigd aan [adres]
,
hierna te noemen verzoekers.

1.PROCESGANG

1.1.
Verzoekers hebben op 6 augustus 2024 verzoekschriften met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
1.2.
De verzoekschriften zijn behandeld ter zitting van 20 september 2024. Daarbij zijn verzoekers gehoord.
1.3.
Vonnis is bepaald op heden.

2.RECHTSOVERWEGINGEN

2.1.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekers in Nederland ligt.
2.2.
Bij controle van de bankafschriften bij de verzoekschriften heeft de rechtbank een bijschrijving op 16 april 2024 aangetroffen van € 6.345,64 , welk bedrag betrekking heeft op de afkoop van een polis bij Nationale Nederlanden. Verzoekers hebben ter zitting hierover verklaard dat zij met dit bedrag een lening hebben afgelost die was afgesloten bij de moeder van [verzoeker 1] (hierna: de moeder). Verzoekers hebben verder verklaard dat zij dit bewust voorafgaand aan de WSNP hebben uitbetaald omdat ze wisten dat de moeder in of na de WSNP niets uitbetaald zou krijgen.
2.3.
Uit het dossier blijkt dat het minnelijke traject op 11 juli 2023 van start is gegaan. De rapportage ‘Overdracht dwangakkoord of WSNP’ van 19 maart 2024 (hierna: het overdrachtsdocument) bevat een overzicht van de schuldenlast in het minnelijke traject. Ter zitting hebben verzoekers verklaard dat de schuld aan de moeder niet is opgenomen in dit schuldenoverzicht en dat die, waarschijnlijk, in de WSNP niet zou zijn ingediend. Verzoekers hebben derhalve na opmaak van dit document maar voor afgifte van de machtiging voor het aanvragen van WSNP aan de Gemeentelijke Kredietbank (op 14-5-2024) besloten om een vermogensbestanddeel te gelde te maken (namelijk: het afkopen van een polis bij ING) om daarmee vervolgens de gestelde schuld aan moeder (geen schuldeiser uit de schuldenlijst) te voldoen.
2.4.
Nog daargelaten dat het dossier geen onderliggende informatie over deze lening bevat, is een dergelijke selectieve betaling in het stadium waarin verzoekers op dat moment verkeerden (in de periode net na het minnelijke traject en net voor de aanvraag WSNP) onaanvaardbaar. Verzoekers hadden de opbrengst uit afkoop onder zich moeten houden, zodat deze in de door verzoekers beoogde schuldsaneringsregeling had kunnen worden verdeeld onder de schuldeisers. Het uitbetalen aan slechts één schuldeiser is niet toegestaan. De rechtbank is van oordeel dat verzoekers met deze transactie niet te goeder trouw zijn ten aanzien van het onbetaald laten van de overige schulden. [1] Overigens volgt uit wat hiervoor is beschreven ook dat verzoekers in het minnelijke traject niet het maximaal haalbare hebben aangeboden, waar zij dit wel hebben verklaard in het overdrachtsdocument.
2.5.
Gezien het bovenstaande is ten aanzien van verzoekers niet voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder b van de Faillissementswet. Bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven verzoekers niettemin tot de schuldsaneringsregeling toe te laten zijn niet aangevoerd of gebleken. De rechtbank zal de beide verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling daarom afwijzen.
BESLISSING
De rechtbank:
wijst de verzoeken af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.D. Mathey-Bal, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 oktober 2024, in tegenwoordigheid van de griffier. [2]

Voetnoten

1.Vergelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 augustus 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7125.
2.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.