Uitspraak
derde-partijheeft aan het geding deelgenomen: de Stichting het Groninger Landschap, gevestigd te Haren, vergunninghoudster,
Rechtbank Noord-Nederland
De rechtbank Noord-Nederland heeft op 13 juni 2024 uitspraak gedaan in de zaken LEE 21-376 en 21-395 over de omgevingsvergunning voor het inrichten van het brakwaternatuurgebied Deikum nabij een perceel te [plaats]. De vergunning was verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Hogeland. Eiser sub 1 en eiseres sub 2 hadden beroep ingesteld tegen dit besluit.
De kern van het geschil betrof de vraag of de verleende vergunning rechtmatig was, met name of de vergunning betrekking had op activiteiten die in strijd zijn met het bestemmingsplan “Buitengebied”. De rechtbank stelde vast dat het besluit onduidelijk was over welke bepalingen van het bestemmingsplan precies werden afgeweken en dat het besluit slechts een vergunning voor bouwen (a-activiteit) verleende, terwijl ook aanlegactiviteiten (werk, geen bouwwerk zijnde) betroffen waarvoor een aanlegvergunning vereist was.
Verder oordeelde de rechtbank dat het realiseren van het brakwatergebied binnen de bestemming “Natuur” valt en dat de aanlegactiviteiten geen onevenredige afbreuk doen aan de waarden van de dubbelbestemming “Waarde – Verkaveling”. Verweerder had ten onrechte geen aanlegvergunning verleend en had ook niet mogen concluderen dat een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik nodig was. De beroepen van eiseressen werden gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van de uitspraak.
Tot slot veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan eiser sub 1 en eiseres sub 2. De uitspraak benadrukt het belang van rechtszekerheid en correcte toepassing van het bestemmingsplan en vergunningstelsel bij omgevingsvergunningen.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet opnieuw beslissen met inachtneming van de uitspraak.