Eiseres exploiteert een terrein voor verblijfsrecreatie met een aangrenzend zwembad waarvan zij ook eigenaar is. De heffingsambtenaar heeft het zwembad als een afzonderlijk object gewaardeerd voor de Wet WOZ, maar de rechtbank oordeelt dat het zwembad onderdeel uitmaakt van het recreatiesamenstel en dat de objectafbakening daardoor onjuist is.
De rechtbank vernietigt de WOZ-beschikkingen en de aanslagen OZB voor de jaren 2018 en 2019. Omdat de objectafbakening onjuist is, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de WOZ-waarden te hoog zijn vastgesteld. Daarnaast wijst de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep.
De immateriële schadevergoeding wordt gematigd vanwege samenhang met andere procedures en verdeeld over vier eisers. Eiseres ontvangt een kwart van het totale bedrag. Ook wordt griffierecht teruggestort en een proceskostenvergoeding toegekend. Verder krijgt eiseres een vergoeding voor gemaakte taxatiekosten. De uitspraak is gedaan door de meervoudige belastingkamer van de Rechtbank Noord-Nederland op 30 mei 2024.