Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2023:4222

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 oktober 2023
Publicatiedatum
16 oktober 2023
Zaaknummer
23/3714
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 2.3.2 Wmo 2015Art. 2.3.5 Wmo 2015Art. 8:72 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gemeente moet Wmo-melding verder behandelen en pgb doorbetalen na onterecht niet-ontvankelijk verklaren bezwaar

Verzoekster had een persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en vroeg om voortzetting hiervan. De gemeente stuurde een emailbericht waarin werd gesteld dat verzoekster eerst een aanvraag op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) moest doen, waarna de Wmo-aanvraag niet verder zou worden behandeld. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit bericht en vroeg een voorlopige voorziening.

De gemeente verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het emailbericht geen besluit zou zijn. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het emailbericht wel een besluit is omdat het rechtsgevolgen heeft: de gemeente doet niets met de melding zolang de Wlz-aanvraag niet is afgerond. Hierdoor bleef de Wmo-aanvraag liggen en kreeg verzoekster geen beslissing over haar pgb.

De voorzieningenrechter vernietigde het besluit van niet-ontvankelijkheid en herroept het emailbericht. De gemeente moet de melding verder behandelen en concreet onderbouwen waarom eerst een Wlz-aanvraag nodig is. Tevens werd een voorlopige voorziening getroffen waarbij de gemeente het pgb voor begeleiding van zes uur per week ongewijzigd doorbetaalt van 1 oktober 2023 tot 1 januari 2024.

Verder is afgesproken dat een gemeente-arts zal onderzoeken of een Wlz-aanvraag zinvol is, waarbij verzoekster aan medewerking wordt gehouden. De voorzieningenrechter veroordeelde de gemeente tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit van niet-ontvankelijkheid, herroept het emailbericht en bepaalt dat de gemeente de Wmo-melding verder moet behandelen en het pgb voorlopig moet doorbetalen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 23/3714 (voorlopige voorziening)
LEE 23/3913 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 oktober 2023 in de zaken tussen

[naam] , uit Groningen, verzoekster

(gemachtigde: mr. F. Bakker),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen

(gemachtigde: G.K.L. Vos).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het emailbericht van 20 juni 2023.
1.2.
Op 14 juli 2023 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen dat emailbericht. Op 12 september 2023 heeft zij haar verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.3.
Bij besluit van 25 september 2023 heeft het college het bezwaar tegen het emailbericht van 20 juni 2023 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er is volgens het college namelijk geen sprake van een beslissing, maar enkel van een mededeling in een
emailbericht van een Wmo-consulente.
1.4.
Verzoekster heeft tegen dat besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening nu geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het besluit

2.1.
Verzoekster heeft sinds 2015 een indicatie voor individuele begeleiding voor zes uur per week op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), laatstelijk tot 31 juli 2023. Op 27 april 2023 heeft zij een melding als bedoeld in artikel 2.3.2., eerste lid, van de Wmo 2015 gedaan bij het WIJ-team. Zij wenst verlenging van haar individuele begeleiding in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). In het emailbericht van 20 juni 2023 heeft de Wmo-consulente van het WIJ-team verzoekster meegedeeld dat zij van de gemeente moet vragen naar de afwijzing van het CAK. Dit naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2023. Tot de brief van het CIZ er is, kan de Wmo-consulente niets voor verzoekster doen. Zij heeft volgens de Wmo-consulent voldoende tijd gehad voor het onderzoek van het CIZ, aldus dit emailbericht.
2.2.
In een emailbericht van 26 juni 2023 heeft verzoekster aangegeven dat ze de aanvraag voor zorg uit de Wet langdurige zorg (Wlz) niet volledig heeft ingevuld, omdat ze niet voldoet aan de voorwaarden. Ze vindt namelijk zelf dat zij geen 24 uur per dag zorg dan wel permanent toezicht nodig heeft. Op 3 juli 2023 heeft de Wmo-consulente verzoekster gemaild dat verzoekster enkel een gedeeltelijk ingevuld aanvraagformulier CIZ heeft ingeleverd en dat het geen officiële brief is met een afwijzing voor de Wlz.

Spoedeisend belang

3.1.
Voordat kan worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, beoordeelt de voorzieningenrechter of sprake is van een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij vindt dat er sprake is van spoedeisend belang, omdat verzoekster op dit moment geen pgb van de gemeente meer krijgt en zij de begeleiding die zij nu krijgt zelf moet betalen.

Uitspraak op het beroep

4.1.
Op grond van artikel 8:86 van Pro de Awb kan niet alleen uitspraak worden gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep, indien naar het oordeel van de voorzieningenrechter nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak. Dit laatste is het geval en daarom doet hij niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5.1.
Van een ontvankelijk bezwaar kan eerst sprake zijn als het bezwaar is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daarin is bepaald dat onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, dat wil zeggen een handeling gericht op rechtsgevolg.
5.2.
Met verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat het emailbericht van
20 juni 2023, gelet op aard en strekking daarvan, een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het heeft namelijk het rechtsgevolg dat verzoekster zich eerst dient te melden bij het CAK en daar een aanvraag moet indienen waarop door het CAK dient te worden beslist (de voorzieningenrechter gaat ervan uit dat met ‘CAK’ wordt bedoeld: het CIZ). Zolang het besluit van het CIZ er niet is, doet het college niets voor haar.
5.3.
Dat betekent dat verzoeksters Wmo-melding blijft liggen en daardoor ook geen nader onderzoek wordt uitgevoerd naar haar eventuele rechten op een Wmo-pgb. Het emailbericht van 20 juni 2023 is daarmee op zelfstandig rechtsgevolg gericht. Dit nog los van de vraag of de Wmo-consulente wel bevoegd was om namens het college een besluit te nemen, want ook een niet bevoegd genomen besluit kan een besluit zijn. Uit dit alles volgt dat het college het bezwaar van verzoekster ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is daarom gegrond en het besluit van 25 september 2023 moet worden vernietigd wegens strijd met de Awb.
5.4.
Dat betekent dat het college de melding van verzoekster verder moet behandelen. De voorzieningenrechter wijst erop dat uit de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 volgt dat het college, na de melding van verzoekster van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, een onderzoek dient uit te voeren naar deze behoefte; op basis van de resultaten van dit onderzoek kan verzoekster dan een aanvraag indienen. Het college moet verder concreet onderbouwen waarom verzoekster eerst een Wlz-aanvraag moet indienen. Het enkele vermoeden van het college dat verzoekster recht zou kunnen hebben op zorg op grond van de Wlz, nadat het college de zaak van verzoekster geanonimiseerd met het CIZ heeft besproken, acht de voorzieningenrechter niet voldoende. Hij zal daarom het besluit van 20 juni 2023 herroepen.
5.5
De voorzieningenrechter gaat er – gelet op de afspraak die hij op de zitting met partijen heeft gemaakt – vanuit dat het college op korte termijn een onderzoek gaat opstarten en een gemeente-arts zal inschakelen, die zal inschatten of verzoekster wel of niet aanspraak kan maken op Wlz-zorg. Hij gaat er verder vanuit dat verzoekster hieraan haar medewerking zal verlenen. Na afronding van dit onderzoek zal verzoekster haar aanvraag om een Wmo-maatwerkvoorziening bij het college kunnen indienen. Daarna zal het college dienen te beslissen of zij in aanmerking komt voor een pgb op grond van de Wmo 2015 of dat van haar verlangd kan worden dat ze tóch een Wlz-aanvraag indient. Met verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor nu de beschikbare gegevens onvoldoende zijn om aan te nemen dat verzoekster in aanmerking komt voor een Wlz-indicatie.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Het beroep van verzoekster is gegrond. De voorzieningenrechter zal het besluit van 25 september 2023 vernietigen en het besluit van 20 juni 2023 herroepen. Hij zal op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepalen dat het college de melding van verzoekster verder in behandeling moet nemen. Omdat verzoekster in afwachting daarvan geen Wmo-pgb meer heeft, zal de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen. Die houdt in dat het college met ingang van 1 oktober 2023 tot 1 januari 2024 aan verzoekster een pgb individuele begeleiding op grond van de Wmo 2015 zal toekennen voor zes uur per week volgens het tarief zoals dat gold op 1 augustus 2023.
6.2.
De voorzieningenrechter zal het college in deze procedure veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt zij een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 597,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 837,-. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift, een verzoek om voorlopige voorziening en een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.108,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
¾ verklaart het beroep gegrond;
¾ vernietigt het besluit van 25 september 2023;
¾ herroept het besluit van 20 juni 2023;
¾ bepaalt dat het college de Wmo-melding van verzoekster verder in behandeling neemt;
¾ treft de voorlopige voorziening dat het college verzoekster een pgb toekent als onder 6.1. aangegeven;
¾ veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 3.108,-;
¾ bepaalt dat het college aan verzoekster het griffierecht van € 100,- (2 x € 50,-) vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.