ECLI:NL:RBNNE:2023:404

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 januari 2023
Publicatiedatum
8 februari 2023
Zaaknummer
18-197241-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 530 SvArt. 533 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schadevergoeding na toepassing artikel 9a Sr

Verzoeker is bij onherroepelijk vonnis vrijgesproken van feit 1 en voor feit 2 is een schuldverklaring zonder strafoplegging uitgesproken met toepassing van artikel 9a Sr. Verzoeker diende een verzoek in tot schadevergoeding voor geleden schade door inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis.

De rechtbank overwoog dat artikel 533 Sv Pro, waarop het verzoek is gebaseerd, geen expliciete verwijzing naar artikel 9a Sr bevat, maar dat de Hoge Raad in 2015 heeft bepaald dat vergoeding alleen mogelijk is indien toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr. Aangezien artikel 9a Sr hier wel is toegepast, betekent dit dat het justitieel ingrijpen terecht was.

Verder merkte de rechtbank op dat de voorlopige hechtenis betrekking had op het gehele feitencomplex, waardoor geen sprake is van splitsing van feiten die tot vergoeding zou kunnen leiden. Daarom bestaat geen recht op schadevergoeding en wordt het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen vanwege toepassing van artikel 9a Sr.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Assen
parketnummer : 18-197241-21
raadkamernummer : 21-013912
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 533 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats],
wonende op het adres [adres],
hierna te noemen: de verzoeker.
Advocaat: mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden.

Procesverloop

Bij onherroepelijk vonnis van 4 augustus 2021 is verzoeker in de onderhavige strafzaak vrijgesproken voor feit 1 en is ten aanzien van feit 2 een schuldverklaring zonder oplegging van straf uitgesproken.
Op 7 september 2021 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
  • schade geleden als gevolg van inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis tot een bedrag van € 1.390,-
  • de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van € 340,-, te vermeerderen in geval van een behandeling ter zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift en het standpunt van de officier van justitie d.d. 11 oktober 2021.
Het verzoekschrift is behandeld ter openbare zitting van de raadkamer van 18 januari 2023. Daarbij zijn verzoeker, de advocaat van verzoeker en de officier van justitie, mr. B. Broerse gehoord.
De officier van justitie heeft zich ter zitting – anders dan in het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie – op het standpunt gesteld dat hij zich voor kan stellen dat de rechtbank overgaat tot het toekennen van een vergoeding.

Beoordeling

In het onderhavige geval doet zich de vraag voor of verzoeker aanspraak maakt op een schadevergoeding nu toepassing is gegeven aan art. 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Anders dan in art. 530 Sv Pro, wordt in art. 533 Sv Pro – waar onderhavig verzoek op gegrond is – art. 9a Sr niet expliciet genoemd. In haar arrest van 22 september 2015 [1] stelt de Hoge Raad art. 533 Sv Pro echter op één lijn met art. 530 Sv Pro – waarin art. 9a dus wel expliciet is opgenomen – te weten dat er enkel aanspraak kan worden gemaakt op een vergoeding wanneer
geentoepassing is gegeven aan art. 9a Sr. Een en ander sluit naar het oordeel van de rechtbank aan bij het gedachtegoed van de schadevergoedingsregeling, te weten dat – kort gezegd – een recht op schadevergoeding bestaat in gevallen waarin achteraf sprake blijkt van onterecht justitieel ingrijpen. De toepassing van art. 9a Sr brengt met zich mee dat, nu het ten laste gelegde feit bewezen is verklaard, de oorspronkelijke verdenking en het justitieel ingrijpen dat daarop volgde, terecht was. Gelet op vorenstaande maakt verzoeker, nu toepassing is gegeven aan art. 9a Sr, geen aanspraak op een vergoeding van schade geleden in verband met inverzekeringstelling en ondergane voorlopige hechtenis.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, anders dan gesteld door de raadsman, de voorlopige hechtenis niet alleen zag op het feit waarvoor verzoeker is vrijgesproken, maar ook op het feit ten aanzien waarvan art. 9a is toegepast zodat de argumentatie van de advocaat met betrekking tot het splitsen van de feiten niet opgaat. Die argumentatie was echter ook niet opgegaan in het geval verzoeker enkel in voorlopige hechtenis gesteld was geweest voor het feit waarvoor hij is vrijgesproken. De feiten stonden immers op één dagvaarding – sterker nog, maakten deel uit van hetzelfde feitencomplex – en vormden derhalve tezamen ‘de zaak’ in de zin van art. 533 Sv Pro. En in ‘de zaak’ is toepassing gegeven aan art. 9a Sr. Ook in die situatie had verzoeker derhalve geen aanspraak gemaakt op schadevergoeding.
Gelet op vorenstaande zal het verzoek worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. F. Sieders, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Lamers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2023.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.