Eiser heeft studiefinancieringsaanvragen ingediend voor november en december 2021 en voor het jaar 2022, welke door de minister zijn afgewezen omdat hij niet voldeed aan het nationaliteitsvereiste en niet als migrerend werknemer kon worden aangemerkt.
De kern van het geschil betreft de vraag of eiser op grond van zijn stageovereenkomst reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht die hem de status van migrerend werknemer geeft en daarmee recht op studiefinanciering. De rechtbank stelt vast dat het leerdoel van de stage voorop stond, hetgeen blijkt uit de stageovereenkomst waarin training en het opdoen van ervaring centraal staan, en dat de vergoeding onder het minimumloon lag.
Verder oordeelt de rechtbank dat het moment van afwijzing voorafgaand aan het studiefinancieringstijdvak niet in strijd is met het wettelijke systeem, omdat eiser op dat moment geen migrerend werknemer was en er geen aanwijzingen waren dat hij die status tijdens het tijdvak zou verkrijgen. De mogelijkheid tot het indienen van een nieuwe aanvraag bij veranderde omstandigheden blijft open.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond, waardoor de minister geen studiefinanciering hoeft toe te kennen en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.