Eiseres verzocht schadevergoeding omdat zij van 1 juli tot 14 oktober 2021 ten onrechte geen studentenreisproduct kon gebruiken. De minister wees dit verzoek af, stellende dat geen fout was gemaakt bij de verstrekking en dat de aanvraag niet tijdig was ingediend.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek vertoonde doordat de minister in beroep een gewijzigd standpunt innam. Dit motiveringsgebrek leidde tot vernietiging van het besluit, maar de rechtbank liet de rechtsgevolgen in stand omdat de minister het gebrek in beroep had hersteld.
De rechtbank stelde dat de wet alleen vergoeding biedt bij foutief handelen van de minister of diens uitvoeringsorganen. Uit het dossier bleek echter dat de late toekenning van het studentenreisproduct te wijten was aan het late aanleveren van gegevens door eiseres zelf, niet aan een fout van de minister.
Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel faalde, omdat onvoldoende onderbouwing en bewijs werd geleverd. De rechtbank wees ook de overige betogen af en veroordeelde de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.
De uitspraak bevestigt dat voor vergoeding van misgelopen studentenreisproduct een fout van het bestuursorgaan vereist is en dat motiveringsgebreken niet automatisch leiden tot toekenning van schadevergoeding.