Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.[A] ,
[B],
[C],
[D],
[E],
[F],
[G],
[H],
[I] ,
1.[J] ,
[K],
[L],
[M],
Rechtbank Noord-Nederland
In deze civiele zaak hebben verzoekers een verzoek ingediend tot het leggen van bewijsbeslag ten laste van de gerekwestreerden, met het oog op het verkrijgen van documenten die hun stellingen over Covid-19 zouden onderbouwen.
De voorzieningenrechter weegt eerst de vraag of een extra verzoekster kan worden toegevoegd en verklaart dit niet-ontvankelijk omdat de procespartij niet kan worden gewijzigd tijdens de procedure.
Vervolgens wordt het verzoek tot een mondelinge behandeling afgewezen omdat de toelichting reeds schriftelijk en uitgebreid is gegeven en het ex parte karakter van het beslagrekest dit niet vereist.
De toetsing van het verzoek vindt plaats aan de hand van de criteria proportionaliteit en subsidiariteit, waarbij het bewijsbeslag als een ingrijpend dwangmiddel wordt beschouwd. De voorzieningenrechter oordeelt dat de noodzaak van het bewijsbeslag onvoldoende is aangetoond, mede omdat verzoekers zelf menen al voldoende bewijs te hebben geleverd en er minder bezwarende middelen beschikbaar zijn.
Daarom wordt het verzoek tot bewijsbeslag afgewezen en wordt de verzoekster niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter wijst verzoekers tevens op hun verplichting om eerdere afwijzingen te melden bij een eventueel nieuw verzoek.
Uitkomst: Het verzoek tot het leggen van bewijsbeslag wordt afgewezen en een verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard.