Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.De beoordeling
door de heer [naam 1] wordt ten huwelijk aangebracht:
4.De beslissing
maandag 29 augustus 2022in tegenwoordigheid van de griffier.
Arnhem-Leeuwarden.
Rechtbank Noord-Nederland
Partijen zijn in 1991 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een finaal verrekenbeding. Na hun echtscheiding in 2021 is onenigheid ontstaan over de uitleg van deze voorwaarden, met name over de verrekening van de verkoopopbrengst van de vennootschap van de man en vergoedingsrechten.
De vrouw stelde dat de verkoopopbrengst van de vennootschap, inclusief goodwill, gedeeld moest worden omdat zij een belangrijke rol binnen de onderneming had. De man stelde dat deze opbrengst uitgesloten vermogen was en volledig aan hem toekwam. De rechtbank oordeelde dat de aandelen waren volgestort door inbreng van activa en passiva van de eenmanszaak en niet met privévermogen, en dat de verkoopopbrengst dus buiten de finale verrekening bleef. De vrouw had geen aanspraak op de goodwill.
Verder werd vastgesteld dat vergoedingsrechten volgens het nominaliteitsbeginsel gelden, omdat partijen zich niet meer konden herinneren wat hun bedoeling was bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden. De man heeft nominaal vergoedingsrecht op investeringen en aflossingen die hij uit privévermogen deed, terwijl de vrouw een vergoedingsrecht heeft op een vordering uit de huwelijkse voorwaarden. De woning is getaxeerd op €1.700.000 en de man krijgt tot 9 januari 2023 de tijd om aan te tonen of hij de woning kan overnemen, anders volgt verkoop.
De rechtbank wijst de vorderingen omtrent verlies op beleggingen af, oordeelt dat de inboedel gemeenschappelijk is en bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen.
Uitkomst: De verkoopopbrengst van de vennootschap blijft buiten finale verrekening; vergoedingsrechten worden volgens nominaliteitsbeginsel toegepast; woning wordt getaxeerd en man krijgt mogelijkheid tot overname.