De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om het gezag van beide ouders over de minderjarige te beëindigen. De rechtbank oordeelde dat het gezag van de moeder beëindigd moest worden omdat de minderjarige in haar thuissituatie ernstig in zijn ontwikkeling werd bedreigd en de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding kon dragen.
De minderjarige woont sinds januari 2020 bij pleegouders en heeft zich daar goed ontwikkeld. De moeder accepteert de plaatsing, maar is ambivalent en niet duurzaam bereid het kind in het pleeggezin te laten opgroeien. De rechtbank achtte handhaving van het gezag van de moeder niet toereikend voor het belang van het kind.
Ten aanzien van de vader concludeerde de rechtbank dat het niet noodzakelijk was het gezag te beëindigen. De vader oefent zijn gezag met hulpverlening adequaat uit, onderhoudt goede contacten met pleegzorg en pleegouders, en heeft vanaf het begin ingestemd met de plaatsing. Wel is er zorg over de houdbaarheid van zijn gezagsuitoefening op lange termijn bij mogelijke levenswijzigingen.
De rechtbank besloot het gezag van de moeder over de minderjarige te beëindigen en het gezag van de vader in stand te laten, met de inschrijving van deze wijziging in het gezagsregister. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.