AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst belastingzaak door naar rechtbank Noord-Holland
De rechtbank Noord-Nederland behandelde een beroep van eiseres tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over 2013. De inspecteur had een naheffingsaanslag opgelegd en belastingrente in rekening gebracht, welke na bezwaar deels waren verminderd. Eiseres stelde beroep in tegen deze uitspraak op bezwaar.
Tijdens de procedure stelde de rechtbank ambtshalve vast dat zij niet bevoegd was omdat eiseres haar statutaire zetel heeft te Haarlemmermeer, waardoor de rechtbank Noord-Holland bevoegd is volgens artikel 8:7 AwbPro en de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. De rechtbank stelde partijen voor de zaak toch te behandelen, maar eiseres ging hier niet mee akkoord.
De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd en verwees de zaak door naar de rechtbank Noord-Holland. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De rechtbank Noord-Nederland verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak door naar de rechtbank Noord-Holland.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 19/4351
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 4 maart 2021 in de zaak tussen
[bedrijf] , te Haarlemmermeer, eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde eiseres] ,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Emmen, verweerder
( [gemachtigde verweerder] ).
Procesverloop
Verweerder heeft voor het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 aan eiseres met dagtekening 27 december 2018 een naheffingsaanslag opgelegd in de omzetbelasting ten bedrage van € 24.832. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking € 4.931 aan belastingrente in rekening gebracht.
Bij uitspraak op bezwaar van 6 december 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de naheffingsaanslag verminderd tot € 18.667. De belastingrente heeft verweerder overeenkomstig verminderd.
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2021. Beide partijen hebben de griffier voorafgaand aan de zitting meegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen en zijn ook niet verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of de rechtbank bevoegd is om over het geschil te oordelen. Artikel 8:7 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt welke rechtbank bevoegd is om te oordelen over het ingediende beroep. Het derde lid van artikel 8:7 vanPro de Awb verwijst naar de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.
2. Ingevolge artikel 8:7, tweede lid, van de Awb en artikel 8, negende lid, van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak kan tegen een besluit als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR) beroep worden ingesteld bij de rechtbanken Noord-Nederland, Gelderland, Noord-Holland, Den Haag en Zeeland-West-Brabant in het ressort waarin de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft. Indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank in het ressort waar het bestuursorgaan zijn zetel heeft.
3. Op grond van artikel 1:10, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft een rechtspersoon zijn woonplaats ter plaatse waar hij volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn statuten of reglementen zijn zetel heeft.
4. De rechtbank stelt vast dat hier sprake is van een besluit in de zin van artikel 26, eerte lid, van de AWR. De rechtbank constateert dat uit de bij beroepschrift en verweerschrift overgelegde uittreksels van de Kamer van Koophandel blijkt dat eiseres haar statutaire zetel heeft te Haarlemmermeer. Dit brengt mee dat niet deze rechtbank, maar de rechtbank Noord-Holland bevoegd is om kennis te nemen van dit beroep.
5. Omdat de rechtbank haar onbevoegdheid pas heeft onderkend nadat zij partijen had uitgenodigd om ter zitting van 4 maart 2021 te verschijnen, heeft zij uit proceseconomische overwegingen en ter bevordering van een voortvarende behandeling van de zaak partijen voorgesteld het beroep toch te behandelen. Verweerder heeft hiermee ingestemd. Eiseres heeft echter te kennen gegeven niet met dit voorstel in te stemmen.
6. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren en de zaak onder toepassing van artikel 6:15 vanPro de Awb doorzenden naar de rechtbank Noord-Holland.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart zich onbevoegd;
zendt het beroep door naar de rechtbank Noord-Holland.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Kattenberg, voorzitter, en mr. A. Heidekamp en mr. J.F.H. van den Belt, leden, in aanwezigheid van mr. L. van Eijk, griffier, op 4 maart 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.