Uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[veroordeelde],
Procesverloop
Standpunt van het openbaar ministerie
Standpunt van de verdediging
Beoordeling
1Verdachte heeft verklaard dat dit zijn bankrekeningnummer is.
2
Rechtbank Noord-Nederland
De rechtbank Noord-Nederland heeft op 19 november 2021 uitspraak gedaan in de zaak tegen een veroordeelde geboren in 1998, waarbij de officier van justitie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel indiende. De vordering betrof een bedrag van €107.722,44, gebaseerd op stortingen op de bankrekening van de veroordeelde in de periode van 5 januari 2020 tot en met 31 maart 2021.
Tijdens de zitting van 5 november 2021 heeft de verdediging erkend dat het bedrag grotendeels juist is, maar verzocht om aftrek van legale inkomsten, waaronder studiefinanciering en toeslagen. De rechtbank wees het verzoek tot aftrek van studiefinanciering af wegens onvoldoende bewijs, maar stemde in met de aftrek van ontvangen toeslagen van €1.249,80. De rechtbank concludeerde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel €106.472,64 bedraagt.
Verder werd het verzoek van de verdediging om de waarde van verbeurd verklaarde goederen in mindering te brengen afgewezen, omdat deze goederen niet uit de betreffende bankrekening waren aangeschaft en het verbeurde geld niet gerelateerd was aan het bewezenverklaarde witwassen.
De rechtbank legde de veroordeelde de verplichting op om het bedrag van €106.472,64 aan de staat te betalen en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 540 dagen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer onder leiding van voorzitter M. Brinksma.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €106.472,64 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.