Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiser] , te [plaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
In uw bericht van 24 januari 2021 hebt u de rechtbank – kort samengevat – verzocht om te bepalen dat u als derde-belanghebbende kunt deelnemen aan de beroepen met zaaknummers LEE 20/1710 en 20/1711. Deze beroepsprocedures betreffen twee met toepassing van artikel 25d, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) geselecteerde uitspraken van de massaalbezwaarprocedures box 3 inzake de jaren 2017 en 2018.
inkomenuit sparen en beleggen te belasten. Dan zijn feitelijke verschillen tussen de (gemiddelde) inkomens van die beide activiteiten rechtens relevant. De verschillende groepen, te weten de groep die uitsluitend spaart en de groep die (deels) belegt, worden bij het bepalen van de box 3-heffing echter wel op gelijke wijze behandeld. De door de wetgever gehanteerde vermogensmix is immers voor alle belastingplichtigen met een bepaalde vermogensomvang – ongeacht de werkelijke samenstelling van hun vermogen – gelijk. Gelet hierop moeten vragen i. en ii. bevestigend beantwoord worden.
b. Gedifferentieerd forfaitair rendementspercentage
voor wat betreft de veronderstelde samenstelling van hun vermogenevident van redelijke grond ontbloot. De wetgever kiest er daarmee immers bewust voor om de groep van 40% die uitsluitend over spaartegoeden beschikt, te belasten alsof zij hun vermogen ook deels (voor minstens 1/3e) hebben belegd, wetende dat voor dat deel veel hogere inkomsten dan de feitelijk genoten inkomsten in aanmerking worden genomen. De door de wetgever aangedragen rechtvaardiging voor het niet aansluiten bij de werkelijke samenstelling van het vermogen – eenvoud van het stelsel en de mogelijkheid van arbitrage – kan naar het oordeel van de rechtbank de keuze om een aanzienlijke groep van 40% van de belastingplichtigen te confronteren met een onredelijk hoge belastingdruk redelijkerwijs niet rechtvaardigen. [9] Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever met de keuze voor het nieuwe box-3 stelsel daarom de hem toekomende ruime beoordelingsmarge overschreden. De rechtbank komt tot dit oordeel ook zonder dat rekening wordt gehouden met het toepasselijke tarief en het heffingsvrij vermogen. Het probleem zit namelijk in de fictieve samenstelling van de vermogensmix en de bijbehorende rendementen, die ook in de eerste schijf al voor een (te) grote groep uitsluitend spaarders ongerechtvaardigd veel afwijkt van de werkelijkheid.
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- draagt verweerder op het in zaaknummer LEE 20/1710 betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden en
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.761.