Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 primair ten laste gelegde.
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel de onder 1 primair ten laste gelegde valsheid in geschrifte, als van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde oplichting. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zich in het dossier geen wettig en overtuigend bewijs bevindt dat verdachte op enige wijze stukken heeft vervalst, teneinde de hypotheek bij de ING Bank N.V. te verkrijgen, dan wel dat verdachte de ING Bank N.V. heeft bewogen tot het aangaan van een hypothecaire lening van € 219.300,- door listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels.
Voorts heeft de raadsman betoogd dat verdachte eveneens moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe gemotiveerd aangevoerd dat er te weinig overtuigend bewijs is dat verdachte opzettelijk cocaïne in zijn auto aanwezig had.
Ook van voorwaardelijk opzet, het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat verdachte cocaïne in zijn auto zou hebben, is geen sprake.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent het al dan niet komen tot een bewezenverklaring van het onder 3 en 4 ten laste gelegde.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
De rechtbank acht - evenals de officier van justitie en de raadsman - het onder 1 primair ten laste gelegde (valsheid in geschrifte) niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit de inhoud van het dossier niet is gebleken dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst taxatierapport, betrekking hebbende op de (eventuele) verkoop van een woning aan de [straatnaam] te [woonplaats] en een schriftelijke aanbieding van Stichting Lefier strekkende tot het terugkopen van de woning aan de [straatnaam] , als ware het echt en onvervalst.
Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, oplichting, acht de rechtbank evenmin wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte ook hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank dient te onderzoeken of de gedragingen van verdachte zoals ten laste gelegd, oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opleveren.
De Hoge Raad heeft in het overzichtsarrest van 20 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2889) overwogen dat voor veroordeling wegens oplichting onder meer is vereist dat één of meer van de in artikel 326 Sr specifiek aangeduide oplichtingsmiddelen gebezigd worden, te weten voor zover hier van belang: het gebruik van listige kunstgrepen of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels. Daarmee wordt bewerkstelligd dat niet iedere vorm van bedrog - bijvoorbeeld bestaande uit niet meer dan het doen van een onware mededeling - en niet iedere toerekenbare tekortkoming in civielrechtelijke zin binnen het bereik van het strafrecht wordt gebracht.
Bij listige kunstgrepen dient het te gaan om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen.
Bij een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen.
Uit de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is behandeld volgt dat op 6 mei 2016 de schriftelijke aanbieding van Stichting Lefier voor het terugkopen van de woning aan de [straatnaam] verliep. Verdachte en zijn (toenmalige) vrouw hebben vervolgens op
18 mei 2016 een persoonlijk hypotheek advies (PHA) van de ING Bank N.V. ondertekend. Het PHA is de schriftelijke vastlegging van hetgeen tijdens het hypotheekadviesgesprek op
9 mei 2016 is besproken. In het betreffende advies is - onder meer - opgenomen de opbrengst van de woning aan de [straatnaam] (via een terugkoopregeling).
Daarnaast is in het PHA vermeld dat verdachte een restschuld overhoudt van € 6.835,-, welke bij de overdracht van die woning afgelost dient te worden.
Opgemerkt wordt in het betreffende advies: “Als u dit Persoonlijk Hypotheek Advies ondertekent, dan geeft u aan dat het rapport een getrouwe weergave is van uw adviesgesprek en dat de gegevens in het advies juist zijn.”
Op basis van de door verdachte verstrekte informatie was de ING Bank N.V. bereid om aan verdachte en zijn (toenmalige) vrouw een hypothecaire lening te verstrekken met een hoofdsom van € 219.300,- voor de financiering van de woning aan de [straatnaam] en de verbouwing daarvan.
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte met het overleggen van een taxatierapport met betrekking tot de waarde van de woning aan de [straatnaam] en/of
een schriftelijke aanbieding van Stichting Lefier tot het terugkopen van de woning aan de [straatnaam] , welke aanbieding op 6 mei 2016 zijn geldigheid had verloren zich, schuldig heeft gemaakt aan oplichting.
Uitgaande van de hierboven geschetste gang van zaken volgt dat verdachte bij het aangaan van de hypothecaire lening niet de juiste gegevens heeft verstrekt, dan wel niet de waarheid heeft verteld aan de ING Bank N.V. met betrekking tot de verkoop van de woning aan de [straatnaam] . Immers, ten tijde van het adviesgesprek en de ondertekening van het PHA was de schriftelijke aanbieding van Stichting Lefier voor het terugkopen van de woning aan de [straatnaam] reeds verlopen, terwijl de ING Bank N.V. er kennelijk van uit is gegaan dat de woning aan de [straatnaam] was verkocht. Verdachte heeft een en andermaal verklaard dat aan de orde is geweest dat de woning aan de [straatnaam] niet zou worden verkocht en dat de hypotheekadviseur van de bank hiervan op de hoogte was.
Wat hiervan ook zij, de hiervoor geschetste gang van zaken levert naar het oordeel van de rechtbank één enkele onware mededeling op en dat is onvoldoende om te kunnen spreken van listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels. Mogelijk valt verdachte moreel het nodige te verwijten, maar dat is niet voldoende voor een bewezenverklaring van oplichting in de zin van artikel 326 Sr, zoals onder 1 subsidiair ten laste gelegd.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde als volgt.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat de tenlastelegging is opgedeeld in twee tijdvakken, de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 juni 2020 (tijdvak 1) en de periode van 19 mei 2020 tot en met 1 juni 2020 (tijdvak 2). De rechtbank gaat er vanuit dat met de in de tenlastelegging opgenomen woorden ‘in elk geval’ moet worden opgevat als subsidiair, zodat sprake is van een primair en subsidiair ten laste gelegd feit.
Verdachte wordt primair ten laste gelegd het verkopen, afleveren, verstrekken dan wel vervoeren van cocaïne ten laste gelegd. Subsidiair wordt hem het aanwezig hebben van cocaïne ten laste gelegd en wel in verschillende hoeveelheden, ongeveer 1029.70 gram, 24.64 gram en 39.78 gram.
Dat verdachte zich in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met
1 juni 2020 schuldig heeft gemaakt aan het verkopen, afleveren, verstrekken dan wel vervoeren van cocaïne en dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste samenwerking tussen verdachte en een of meer anderen acht de rechtbank gelet op de inhoud van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen.
Hoewel uit de zich in het dossier bevindende tapgesprekken over de periode van 19 mei 2020 tot en met 1 juni 2020 volgt dat verdachte contact onderhield met diverse personen
- waaronder [naam] , [naam] , [naam] , [naam] , [naam] en [naam] - en dat deze gesprekken onder meer druggerelateerd lijken te zijn, is de inhoud van deze gesprekken niet dusdanig dat daaruit kan worden afgeleid dat verdachte zich daadwerkelijk bezig heeft gehouden met de handel in cocaïne. Het aantal drugsgerelateerde gesprekken tussen verdachte en deze personen is daarvoor te beperkt, noch bevatten de inhoud van deze gesprekken én het dossier andere aanwijzingen waaruit betrokkenheid van verdachte bij het verkopen, afleveren, verstrekken dan wel vervoeren van cocaïne in de ten laste gelegde periode kan volgen. De enkele omstandigheid dat verdachte diverse contacten in zijn telefoon(s) had met antecedenten op het gebied van de Opiumwet en het feit dat er contant geld is aangetroffen in de woning van verdachte, te weten € 5.650,- (14 x briefjes van 5 euro en 86 x briefjes van 10 euro), is daartoe onvoldoende. De rechtbank zal verdachte daarom van het primair ten laste gelegde vrijspreken.
Voorts acht de rechtbank evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zoals subsidiair ten laste gelegd “in elk geval in de periode van 19 mei 2020 tot en met 1 juni 2020” (tijdvak 2) opzettelijk 1029,70 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.
Daarbij stelt de rechtbank voorop dat voor de vraag of verdachte opzettelijk verdovende middelen aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2 onder C Opiumwet niet doorslaggevend is aan wie de verdovende middelen toebehoren. Van een beschikkings- of beheersbevoegdheid van verdachte hoeft evenmin sprake te zijn, maar de drugs zullen zich wel in zijn machtssfeer moeten bevinden. Ingevolge artikel 10, derde lid, Opiumwet levert het “opzettelijk” aanwezig hebben van een op lijst I bij de Opiumwet genoemd middel een misdrijf op. Voor opzet is vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van het middel, althans de aanmerkelijke kans dat dit middel in zijn machtsmiddel aanwezig is bewust heeft aanvaard. Zie hiervoor -onder meer- het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1459. Hoewel de rechtbank aan de hand van de uitkomst van het forensisch sporenonderzoek niet kan uitsluiten dat verdachte op enig moment gelegen vóór de ten laste gelegde periode wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van het blok van 1029,70 gram cocaïne, is gelet op de inhoud van het dossier niet aannemelijk geworden dat verdachte in de ten laste gelegde periode van 19 mei 2020 tot en met 1 juni 2020 wetenschap had van en opzet had op het aanwezig hebben van de in zijn auto aangetroffen 1029,70 gram cocaïne.
Daarbij laat de rechtbank wegen dat uit de inhoud van het dossier en hetgeen is behandeld ter terechtzitting volgt dat verdachte op 20 mei 2020 werd ontboden op het politiebureau te Drachten voor een gesprek met zijn direct leidinggevende. Diezelfde dag werd de auto van verdachte op het afgesloten parkeerterrein behorende bij het politiebureau te Drachten op twee momenten doorzocht, te weten om circa 11:00 uur en 14:30 uur. Tijdens de tweede doorzoeking op 20 mei 2020 om circa 14:30 uur werden twee zakje met 24,64 en 39,78 gram cocaïne aangetroffen in de schuifvakken onder de stoelen van de bestuurder en de bijrijder. Besloten werd om de auto veilig te stellen voor nader onderzoek. De auto is op 20 mei 2020 onder verdachte in beslag genomen.
Vervolgens werd tijdens een forensische doorzoeking op 29 mei 2020 in de betreffende auto, in een papieren zak op de grond achter de stoel van de bijrijder, een blok van 1029,70 gram cocaïne aangetroffen.
Tijdens het verhoor door de politie en ook ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zijn auto regelmatig uitleende (onder meer) aan zijn broer, voor het laatst enkele dagen voor de doorzoeking van de auto op 20 mei 2020. De betreffende broer van verdachte verklaart eveneens dat hij de auto van verdachte wel eens leende. Uit de diverse processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] leidt de rechtbank af dat de auto van verdachte er rommelig uitzag, dat er verschillende voorwerpen in het gehele voertuig lagen, en dat de bewuste papieren zak tijdens de doorzoeking op 20 mei 2020 niet direct in het oog sprong
.
Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank niet overtuigend worden bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode van 19 mei 2020 tot en met 1 juni 2020, heeft geweten van de aanwezigheid van het blok van 1029,70 gram cocaïne in zijn auto. Evenmin zijn er concrete aanwijzingen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat op dat moment in zijn auto het blok van 1029,70 gram cocaïne aanwezig was. De rechtbank zal verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Dat verdachte in elk geval in de periode van 19 mei 2020 tot en met 20 mei 2020 opzettelijk 24,64 en 39,78 gram cocaïne aanwezig heeft gehad acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank past hiertoe de volgende bewijsmiddelen die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 1 juni 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik heb wel eens drugs gebruikt in mijn auto. De twee dagen voor 20 mei 2020 heb ik cocaïne gebruikt.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 mei 2020, opgenomen op pagina 829 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met Zaaknummer IOONNN201593 d.d. 3 november 2020, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op woensdag 20 mei 2020, omstreeks 14:25 uur werd door mij en [verbalisant 2] een personenauto doorzocht. Dit voertuig was voorzien van het kenteken [kenteken] en van het merk Volkswagen, type Polo en de kleur zwart.
Op woensdag 20 mei 2020 omstreeks 11:00 uur had de gebruiker van dit voertuig, [verdachte] , dit voertuig geplaatst op de binnenplaats van het politiebureau te Drachten.
Door ons, [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , werd het voertuig geopend middels het bestuurdersportier en de bijrijdersportier. Ik opende aan de bestuurderszijde een schuifvak welke zich onder de bestuurdersstoel bevond en ik zag in dit vak twee plastic zakjes liggen met daarin een brok met een witte substantie. Tevens zag ik een klein plastic zakje liggen, een zogenaamd gripzakje, met daarin een opgevouwen papiertje en twee condooms in de verpakking. Hierop opende [verbalisant 2] een zelfde schuifvak welke zich onder de bijrijdersstoel bevond. Hierin trof zij een blauw etui aan met de opdruk Nivea.
In dit etui bevond zich een plastic zakje met een wit poeder. Op dit zakje stond de tekst "cafeïne”. Tevens bevonden zich in dit etui een weegschaaltje, geschikt voor wegingen tot 200 gram, diverse zogenaamde gripzakjes, diverse vouwblaadjes met een beschrijving voor het vouwen van envelopjes en een paar plastic zakjes.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verdovende middelen d.d. 25 mei 2020, pagina 892 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :
Goednummer: PL0100-2020137079-1273469
SIN: AANS0887NL
Omschrijving: een dicht geknoopte kleurloze plastic zak met daarin een dicht geknoopte kleurloze plastic zak met daarin een grote witte brok en brokjes
Netto gewicht: 24,64 gram
SIN Monster: AANW3462NL
Indicatieve testen
Positief voor cocaïne.
Identificerend onderzoek
NFiDENT: positief voor cocaïne
Cocaïne staat vermeld op lijst I behorende bij de Opiumwet.
Goednummer: PL0100-2020137079-1273465
SIN: AANS0888NL
Omschrijving: een dicht geknoopte kleurloze plastic zak met dubbele groene streepjes/lijnen aan de bovenzijde met daarin een grote witte brok
Netto gewicht: 39,78 gram
SIN Monster: AANW3463NL
Indicatieve testen
Positief voor cocaïne.
Identificerend onderzoek
NFiDENT: positief voor cocaïne
Cocaïne staat vermeld op lijst I behorende bij de Opiumwet.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 juni, opgenomen op pagina 84 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van
[verdachte] :
O: Foto 1 wordt getoond aan de verdachte.
V: In de auto werden de volgende goederen aangetroffen
(noot griffier: deze goederen zijn te zien op foto 1):
Twee plastic zakjes met daarin witte brokken, enkele gripzakjes en twee condooms in schuifvak aan de bestuurderszijde.
O: Foto 2 wordt getoond aan de verdachte.
V: In het schuifvak onder de bijrijdersstoel een blauwe etui met een plastic tasje met wit poeder. Op dit zakje stond cafeïne. In het etui bevonden zich tevens een weegschaaltje, gripzakjes en vouwblaadjes
(noot griffier: deze goederen zijn te zien op foto 2).
A: Dat tasje komt mij wel bekend voor, die lag bij mijn broer thuis.
Ik heb cocaïne gepakt uit het plastic zakje zoals op foto 1 te zien is. Ik heb het tasje wel eens gezien en ook wel in mijn handen gehad. Daarin zaten ook envelopjes. Want als ik cocaïne meenam dan pakte ik zo’n envelopje.
5. Een tapgesprek opgenomen op 19 mei 2020 te 10:31:37 uur in het onderzoek tussen telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik bij [verdachte] en telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik bij [naam] , opgenomen op pagina 843 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend:
Verdachte wordt aangeduid met [verdachte]
[vrouw verdachte] : Je bent al meer dan 48 uur aan de drugs
[verdachte] : Ja klopt
Gelet op de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte in de periode van 19 mei 2020 tot en met 20 mei 2020 wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van 2 zakjes cocaïne in zijn auto.
Ook waren deze verdovende middelen in de machtssfeer van verdachte.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de betreffende hoeveelheid drugs is aangetroffen in de schuifvakken onder de stoelen van de bestuurder en de bijrijder.
Verdachte verklaart dat hij cocaïne meenam van zijn broertje en dat hij cocaïne heeft gepakt uit het plastic zakje zoals op foto 1 is te zien.
Uit de inhoud van het tapgesprek tussen hem en [naam] op 19 mei 2020 volgt dat verdachte in de periode gelegen voor de doorzoeking van de auto op 20 mei 2020 en het aantreffen van deze verdovende middelen veelvuldig drugs heeft gebruikt. Verdachte verklaart daarnaast dat hij ook wel eens drugs gebruikte in zijn auto. Gelet op al deze omstandigheden kan het niet anders dan dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze hoeveelheden cocaïne in zijn auto. Verdachte heeft verklaard dat hij wel gek zou zijn om met drugs in de auto naar het politiebureau te rijden. Anderzijds heeft verdachte ook verklaard dat hij er niet vanuit ging dat er een doorzoeking in de auto zou plaatsvinden. Verdachtes verklaring bij de politie dat hij de laatste dagen juist geen drugs had gebruikt acht de rechtbank gelet op de inhoud van het tapgesprek tussen hem en [naam] op 19 mei 2020 niet geloofwaardig.
Ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde
De rechtbank acht het onder 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal bevindingen aantreffen kinderporno en porno tussen mens en dier d.d. 30 juni 2020, opgenomen op pagina 1597 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
De betreffende bestanden stonden op een bij verdachte [verdachte] op 20 mei 2020 in beslag genomen telefoon, zijnde een Samsung GSM GT-19195 Galaxy S4 Mini (AllA90.01.02).
AANTREFFEN KINDERPORNO
Van de aangeleverde bestanden heb ik verbalisant de volgende bestanden geclassificeerd als zijnde kinderpornografisch:
[bestandsnaam]
Alle vier de bestanden betreffen video’s, waarin te zien is dat een minderjarige vaginaal en/of anaal gepenetreerd wordt door een volwassen penis.
BESTAND 1 ( [bestandsnaam] )
Te zien is dat een meisje, met een geschatte leeftijd van tussen de 10 en de 14 jaar oud, oraal en met de hand de penis van een volwassen man stimuleert.
BESTAND 2 ( [bestandsnaam] )
In deze video lijkt een volwassen penis een minderjarige anaal of vaginaal te penetreren.Gezien de bouw en de proporties van de minderjarige, schat ik de leeftijd tussen de 4 en de 10 jaar oud.
BESTAND 3 ( [bestandsnaam] )
Deze video betreft een compilatie van verschillende pre- puberale meisjes die vaginaal en/of anaal gepenetreerd worden met de penis van een volwassen man. De geschatte leeftijden van deze meisjes liggen allen tussen de 6 en de 12 jaar.
BESTAND 4 ( [bestandsnaam] )
In deze video is te zien dat een meisje met de geschatte leeftijd van tussen de 6 en de 12 jaar oud, vaginaal en/of anaal gepenetreerd wordt door een volwassen penis.
AANTREFFEN PORNO TUSSEN MENS EN DIER
Van de aangeleverde bestanden heb ik verbalisant de volgende bestanden beoordeeld als zijnde porno tussen mens en dier:
[bestandsnaam]
Te zien is dat volwassen vrouwen vaginaal dan wel anaal dan wel oraal gepenetreerd worden door paarden en honden. In 1 video is te zien hoe een volwassen men met zijn penis een hond anaal penetreert. In een andere video is te zien hoe een hond een volwassen man anaal penetreert.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal d.d. 30 juni 2020, opgenomen op pagina 1599 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Alle kinderpornografische video's zijn aangetroffen op dezelfde gegevensdrager, namelijk de Samsung S4 mini met goednummer [nummer] .
Opvallend is dat al het kinderpornografische beeldmateriaal dat is aangetroffen op gegevensdrager met goednummer [nummer] , 'kik' in de bestandslocatie heeft staan.
Ik verbalisant ken 'kik' als een chat-app waarmee berichten, foto's en video's verzonden kunnen worden.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen aliassen [verdachte] op gegevensdragers d.d. 25 juni 2020, opgenomen op pagina 1614 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
In dit proces-verbaal worden de aliassen die [verdachte] gebruikt en tot zo ver bekend zijn benoemd. Deze aliassen zijn uit onderstaande gegevensdragers aangetroffen:
(…)
Samsung Galaxy S4 mini GT-19195 (privétoestel), met Imei [nummer] , telefoonnummer [telefoonnummer] :
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 augustus 2020 met bijlagen, opgenomen op pagina 1616 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
In het onderzoek BRIDGE is een mobiele telefoon van het merk Samsung, type Galaxy S4 mini, voorzien van Imei nummer [nummer] inbeslaggenomen.
Door mij is de inhoud van dit toestel onderzocht.
Met een contact op KIK, [naam] , is op 10 april 2020 een chatgesprek in het Engels en worden ook filmpjes uitgewisseld waarvan er in ieder geval 2 geclassificeerd zijn als kinderporno. [verdachte] vraagt om zulke filmpjes. In een chatgesprek daarna met [naam] wordt door [verdachte] gevraagd of die gebruiker ook kids heeft, from Younger.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 juni 2020, opgenomen op pagina 1696 e.v., inhoudende als verklaring van [verdachte] :
Ik ben onder meer bekend onder de namen [verdachte] en [verdachte] . Als [verdachte] op die telefoon staat ben ik dat.
De rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat kinder- en dierenpornografisch materiaal is aangetroffen op de onder verdachte op 20 mei 2020 in beslaggenomen Samsung S4 Mini. Deze telefoon behoorde in eigendom toe aan verdachte en werd door hem ook gebruikt. Hoewel verdachte verklaart dat hij voornoemde telefoon deelde met iemand anders (waarvan hij de naam niet wil noemen) stelt de rechtbank eveneens vast dat verdachte - onder meer - bekend is onder de naam [verdachte] . Nu blijkens onderzoek naar de inhoud van voornoemde telefoon onder deze naam expliciet is gevraagd om kinderpornografisch materiaal, leidt de rechtbank hieruit af dat verdachte (minst genomen voorwaardelijk) opzet had op het bezit van zowel kinder- als dierenpornografisch materiaal, in die zin dat hij wetenschap had van deze filmbestanden op zijn telefoon, hij de beschikkingsmacht daarover had en de aanwezigheid daarvan gewild heeft.
De rechtbank acht het onder 3 en 4 ten laste gelegde daarom wettig en overtuigend bewezen.