ECLI:NL:RBNNE:2021:1017
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking omgevingsvergunning wegens niet-gebruik en gewijzigde planologische inzichten
Het college van burgemeester en wethouders van Groningen trok in 2017 de omgevingsvergunningen in die in 2011 en 2013 aan eiser waren verleend voor het vergroten van panden te Groningen. De intrekking was gebaseerd op het feit dat eiser gedurende 26 weken geen gebruik had gemaakt van de vergunningen, conform artikel 2.33 Wabo, en dat het bouwplan in strijd was met het nieuwe bestemmingsplan.
Eiser maakte bezwaar en stelde dat hij in juni 2017 met de bouw zou beginnen en dat de intrekking onredelijk was vanwege de gemaakte kosten en het ontbreken van een locatiespecifieke belangenafweging. Verweerder verwees naar het ontbreken van concrete bouwactiviteiten en de gewijzigde planologische inzichten.
De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd was de vergunningen in te trekken omdat eiser het niet-gebruik aan zichzelf te wijten had en dat de gewijzigde planologische situatie een geldige grond vormde. De rechtbank vond de belangenafweging van verweerder voldoende gemotiveerd en zag geen onredelijkheid in de intrekking. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar inmiddels was behandeld.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten van €267,- wegens overschrijding van de beslistermijn. De uitspraak bevestigt dat intrekking van vergunningen bij niet-gebruik en gewijzigde regelgeving rechtmatig kan zijn, mits belangen zorgvuldig worden afgewogen.
Uitkomst: De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de rechtmatigheid van de intrekking van de omgevingsvergunning.