Eiser betwistte de aanslag rioolheffing voor 2019 omdat het perceel, met een boothuis, geen directe of indirecte aansluiting heeft op de gemeentelijke riolering. Het hemelwater wordt via een buis afgevoerd naar open water onder het boothuis, dat in verbinding staat met gemeentelijk oppervlaktewater. Verweerder stelde dat dit water een gemeentelijke voorziening is en dat de aanslag terecht is opgelegd.
De rechtbank oordeelde dat de verordening een gemeentelijke riolering definieert als een voorziening of combinatie van voorzieningen, en dat oppervlaktewater zoals de Harlinger Trekvaart niet hieronder valt. Hierdoor is het belastbare feit niet vervuld. Hoewel de wet een ruime reikwijdte kent voor rioolheffing, moet de verordening duidelijk zijn en dat is hier niet het geval.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de aanslag en de uitspraak op bezwaar, en bepaalde dat verweerder het betaalde griffierecht aan eiser moet vergoeden. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd mondeling gedaan op 29 oktober 2020 door rechter A. Heidekamp.