Eiseres, een woningcorporatie, kreeg voor het jaar 2014 aanslagen rioolheffing opgelegd voor 404 percelen in de voormalige gemeente Ten Boer. Zij maakte bezwaar tegen deze aanslagen en stelde dat deze onterecht waren opgelegd vanwege overschrijding van de opbrengstlimiet, strijd met het gelijkheidsbeginsel en strijd met de Kaderrichtlijn Water.
De rechtbank beoordeelde primair de beroepsgrond van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Eiseres stelde dat 433 WOZ-objecten buiten de heffing waren gelaten, terwijl deze gelijk waren aan haar percelen, en dat verweerder geen adequate specificatie had gegeven van deze objecten. Verweerder voerde aan dat sommige objecten niet als perceel kwalificeerden of geen afvalwater afvoerden, waardoor zij buiten de heffing vielen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had weersproken dat er sprake was van ongerechtvaardigd begunstigend beleid. Door het ontbreken van een specificatie kon niet worden vastgesteld dat deze objecten niet onder de heffing vielen. Dit leidde tot de conclusie dat verweerder ten onrechte een deel van de objecten buiten de heffing had gelaten, en dat het begunstigend beleid ook op eiseres moest worden toegepast.
De rechtbank vernietigde daarom de aanslagen en de uitspraken op bezwaar, bepaalde dat verweerder het betaalde griffierecht aan eiseres moest vergoeden en veroordeelde verweerder in de proceskosten van eiseres.