Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.Vrijspraak
2.Beoordeling overige feiten
het onder 1 ten laste gelegde’ geschetste juridische kader en motivering, overweegt de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte door gebruik te maken van een valse hoedanigheid bij [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen met betrekking tot de ‘persoon’ van verdachte en diens naam, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven werd geroepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de handeling die bestaat uit het vermelden op de leaseovereenkomsten dat er aanbetalingen zouden zijn gedaan (terwijl hiervan geen sprake is geweest), in combinatie met het door verdachte aannemen van een valse hoedanigheid, van voldoende gewicht is om tevens aan te nemen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van listige kunstgrepen.
het onder 1 ten laste gelegde’- dat deze contracten door hem zijn opgesteld met de intentie om personen en/of instanties te benadelen. De rechtbank volgt verdachte hierin niet. Het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt vindt bevestiging in meerdere getuigenverklaringen, te weten die van [slachtoffer 7] , [benadeelde partij 8] , [getuige 5] en [getuige 1] . De rechtbank acht het onaannemelijk dat zij allen in lijn met elkaar en in strijd met de waarheid hebben verklaard, terwijl het scenario van verdachte door getuigenverklaringen noch door ander bewijs wordt gestaafd. De rechtbank hecht dan ook geen geloof aan de verklaring van verdachte.
een gedeelte, groot zes (6) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
[benadeelde partij 7]niet ontvankelijk is in haar vordering en dat zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.