Verzoekster exploiteert een winkel op een perceel waar zij een last onder dwangsom opgelegd kreeg wegens verkoop van niet-perifere detailhandel in strijd met het bestemmingsplan. Na beëindiging van de overtreding en gesprekken over het assortiment, werd een dwangsom van €150.000 ingevorderd vanwege het niet naleven van de last.
Verzoekster maakte bezwaar tegen de invordering en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat er verwarring bestond over welke goederen en percentages perifere detailhandel betroffen, mede door een e-mail van verweerder en onduidelijkheid in het bestemmingsplan. Het rapport van de toezichthouder voldeed aan de eisen, maar verweerder had onvoldoende gemotiveerd waarom niet van invordering kon worden afgezien.
Daarom werd het bestreden besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van verzoekster. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.