Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding;
- de mondelinge behandeling;
- de pleitnota van de ontvanger.
2.De feiten
- Het is aan uw cliënt te wijten dat de belastingschulden zijn ontstaan. Uw cliënt wist of kon redelijkerwijs vermoeden dat de belastingaanslagen zouden worden opgelegd. Uw cliënt is nalatig geweest in het reserveren van middelen om de belastingaanslagen te kunnen betalen.
De Jacobijn te Haren, althans een vordering gedaan tot maandelijkse inhouding op dat inkomen.
3.Het geschil
4.De beoordeling
In alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak treedt de ontvanger als zodanig in rechte op.') een algemene voorziening en is deze bedoeld om ondubbelzinnig te laten uitkomen dat de ontvanger in de uitoefening van zijn taak in rechte kan optreden en kan worden gedagvaard. In geschillen waarbij de ontvanger is betrokken, zouden, bij gebreke aan zulk een bepaling, problemen kunnen rijzen omtrent de vraag wie moet worden gedagvaard: de Staat of de ontvanger (Kamerstukken II 1987/88, 20 588, nr. 3, blz. 31).
Gelet op het hiervoor onder 4.1. overwogene wordt [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering sub 2 jegens de Staat. Uit proceseconomische overwegingen zal de voorzieningenrechter desalniettemin onderzoeken of het onder 2 gevorderde mogelijk voor toewijzing gereed ligt. Hierbij speelt een rol dat de uitkomst van dit onderzoek gevolgen heeft voor de vraag of het onder 1 gevorderde moet worden toe- of afgewezen.
Bij een buitengerechtelijk akkoord als het onderhavige, op de totstandkoming waarvan de gewone regels van het verbintenissenrecht van toepassing zijn, staat het een schuldeiser in beginsel vrij het hem door de schuldenaar aangeboden akkoord - dat inhoudt dat hij moet instemmen met een gespreide betaling van zijn vordering gedurende negen jaar - te weigeren. Dit kan uitzondering lijden indien de uitoefening van deze bevoegdheid wordt misbruikt (artikel 3:13 BW Pro) en de schuldeiser aldus naar redelijkheid aanvaarding van het aanbod niet had kunnen weigeren. De omstandigheid dat een schuldeiser de slechte financiële positie van de schuldenaar of diens dreigende faillissement kent of behoort te kennen, zal in het algemeen niet voldoende zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat die schuldeiser misbruik maakt van zijn bevoegdheid te weigeren met het hem aangeboden buitengerechtelijk akkoord in te stemmen.