Op 30 augustus 2016 vond een gewapende overval plaats op een snackbar te Leeuwarden waarbij een vrouw met een vuurwapen de eigenaren bedreigde en geld afhandig maakte. De verdachte werd ervan beschuldigd samen met deze vrouw de overval te hebben gepland en daarbij een rol te hebben gespeeld.
De medeverdachte verklaarde dat zij samen met verdachte het plan had gemaakt en dat de buit werd verdeeld. Een getuige verklaarde ook betrokkenheid van verdachte, maar deze verklaring werd door de rechtbank als onvoldoende betrouwbaar beoordeeld vanwege sturende vraagstelling en twijfel over de herinnering van de getuige.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van de medeverdachte onvoldoende werd ondersteund door ander bewijs, waardoor het bewijsminimum niet werd gehaald. Verdachte werd daarom vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.
De vorderingen van de benadeelde partijen tot schadevergoeding werden niet ontvankelijk verklaard omdat het feit niet bewezen was en deze vorderingen bij de burgerlijke rechter moeten worden ingediend.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, op 13 november 2018.