Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 18 april 2018
- het proces-verbaal van comparitie van 21 juni 2018.
Rechtbank Noord-Nederland
De zaak betreft een geschil tussen moeder en zoon over de afwikkeling van een meerwaardeclausule in een verdelingsakte na de verkoop van onroerende zaken en melkquotum binnen een familiebedrijf. De rechtbank stelt vast dat de onroerende zaken en het melkquotum binnen de termijn van de clausule zijn verkocht voor een hogere waarde dan de overnamewaarde, waardoor een betalingsverplichting op de zoon rust.
De zoon voerde verweren aan op grond van klachtplicht en verjaring, stellende dat de moeder al in 2011 van de verkoop op de hoogte was. De rechtbank oordeelt dat deze verweren onvoldoende zijn onderbouwd en niet slagen. Vervolgens wordt de uitleg van de meerwaardeclausule besproken, waarbij de rechtbank de berekening van de moeder volgt: eerst aftrek van investeringskosten, daarna toepassing van het percentage van 20%.
De rechtbank wijst de vorderingen toe tot betaling van €182.699,80 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 mei 2017. Daarnaast wordt de zoon veroordeeld om binnen twee maanden alle verkoopgegevens te overleggen of een verklaring waarom dit niet mogelijk is, onder dreiging van een dwangsom. De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens ontbreken van een correcte aanmaning. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Vordering tot betaling meerwaardeclausule en inzage verkoopgegevens toegewezen, met wettelijke rente vanaf 23 mei 2017.