De rechtbank Noord-Nederland heeft op 10 april 2018 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de verlaging van een persoonsgebonden budget (pgb) voor een kwetsbare vrouw die momenteel naar tevredenheid in een zorgcentrum woont.
In een eerdere tussenuitspraak was vastgesteld dat het bestreden besluit een gebrek vertoonde in de motivering, met name dat verweerder onvoldoende had aangegeven bij welke zorginstellingen eiseres met het pgb de benodigde zorg daadwerkelijk kan inkopen. Verweerder heeft hierop gereageerd door te stellen dat zorg kan worden ingekocht bij R95 en Het Middelpunt, waarbij bij R95 binnen enkele maanden een plek vrijkomt.
De rechtbank oordeelt echter dat deze reactie onvoldoende is om het gebrek te herstellen. Verweerder heeft niet concreet aangetoond, bijvoorbeeld met een brief of medische rapportage, dat eiseres daadwerkelijk bij R95 terecht kan. Gezien de kwetsbaarheid van eiseres en haar huidige tevreden verblijf acht de rechtbank dit onvoldoende. Het besluit is daarom niet deugdelijk gemotiveerd en strijdig met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit en beveelt verweerder een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiseres.