Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van 12 november 2014 waarbij haar bijstandsuitkering met ingang van 1 augustus 2015 werd beëindigd. Zij stelde dat zij het besluit pas op 21 september 2015 ontving en toen bezwaar maakte. De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat het besluit tijdig was verzonden, waardoor het bezwaar ontvankelijk was.
Inhoudelijk stelde de voorzieningenrechter vast dat verweerder het besluit baseerde op de veronderstelling van ongewijzigde omstandigheden, terwijl verzoekster vanaf 1 augustus 2015 werkzoekend was en geen betaald werk had gevonden. Hierdoor kon verweerder niet volstaan met het oorspronkelijke besluit en had een nieuw besluit moeten worden genomen.
De brieven van 4 februari en 4 maart 2015 waren slechts herhalingen en geen zelfstandige besluiten. De beëindiging van de uitkering per 1 augustus 2015 was daarom onrechtmatig. De voorzieningenrechter schorst het besluit voor zover het de beëindiging van de uitkering betreft en draagt verweerder op de uitkering voort te zetten. Tevens worden de proceskosten en griffierecht aan verzoekster vergoed.