ECLI:NL:RBNNE:2014:4528

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 mei 2014
Publicatiedatum
16 september 2014
Zaaknummer
C18/145098/PR RK 13-484
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens niet honoreren aanhoudingsverzoek

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. S.B. Smit-Colenbrander, rechter in een bestuursrechtelijke procedure, omdat zijn verzoek tot aanhouding van een zitting niet werd gehonoreerd, waardoor hij niet kon verschijnen en zich niet kon verdedigen.

De rechtbank wees het wrakingsverzoek aanvankelijk af, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het verzoek ten onrechte niet was behandeld en verwees de zaak terug. De wrakingskamer behandelde het verzoek vervolgens inhoudelijk.

De wrakingskamer overwoog dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen. Het aanhoudingsverzoek was onvoldoende onderbouwd, en de rechter had het terecht afgewezen. Ook het feit dat verzoeker niet op de zitting verscheen en de rechter feitelijke vragen stelde, leidde niet tot aanwijzingen van partijdigheid.

Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd het bestuursrechtelijke proces voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. S.B. Smit-Colenbrander is afgewezen wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Locatie Groningen
meervoudige kamer
Zaaknummer/rolnummer: C/18/145098/PR RK 13-484
Beslissing van 22 mei 2014
op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van
[verzoeker]
wonende aan de[adres], [woonplaats],
verzoeker.

1.Procesverloop

1.1.
Bij brief van 26 augustus 2013 heeft verzoeker het verzoek ingediend tot wraking van mr. S.B. Smit-Colenbrander als rechter die zijn bestuursrechtelijke procedure met registratienummer Awb 13/853 behandelt.
1.2.
Bij brief van 12 december 2013 heeft de rechtbank aan verzoeker bericht dat het wrakingsverzoek niet in behandeling zal worden genomen. Ter motivering van dit besluit wordt verwezen naar een eerdere beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Noord-Nederland van 19 september 2013, rechtsoverweging 2.7.
1.3.
In een uitspraak van 2 januari 2014 is het beroep met kenmerk Awb 13/853 door de rechtbank Noord-Nederland, afdeling bestuursrecht, ongegrond verklaard.
1.4.
Bij brieven van 7 februari 2014 en 17 februari 2014 heeft verzoeker gevraagd om herziening van de beslissing van 12 december 2013. Bij brief van 20 februari 2014 is dit verzoek door de rechtbank afgewezen.
1.5.
Op 13 maart 2014 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) uitspraak gedaan in het hoger beroep van verzoeker, dat zich richtte tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 januari 2014. De AbRS heeft hierin geoordeeld dat het verzoek tot wraking ten onrechte niet is behandeld door de rechtbank. Het hoger beroep is daarom gegrond verklaard en de zaak is terugverwezen naar de rechtbank.
1.6.
Op 25 maart 2014 heeft verzoeker een aanvullende brief gezonden.
1.7.
Mr. Smit-Colenbrander heeft niet berust in het wrakingsverzoek. In een brief van 22 april 2014 heeft mr. Smit-Colenbrander haar standpunt toegelicht.
1.8.
Op 16 mei 2014 is het verzoek tot wraking van mr. Smit-Colenbrander door de wrakingskamer ter zitting behandeld. Verzoeker is ter zitting verschenen, samen met zijn raadsman, mr. M.G.J. Smit. Mr. Smit-Colenbrander is niet verschenen.

2.Het standpunt van verzoeker

2.1.
Verzoeker heeft zijn verzoek tot wraking onderbouwd door te stellen dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zichzelf te verdedigen. De rechter heeft zijn aanhoudingsverzoek ten onrechte niet gehonoreerd. Verzoeker kon hierdoor niet ter zitting verschijnen. Uit het proces-verbaal van de zitting dat verzoeker heeft ontvangen maakt verzoeker op dat een aantal vragen is gesteld die hij nu niet heeft kunnen beantwoorden. Op deze manier is hem een eerlijk en rechtvaardig proces onthouden. Verzoeker meent dat de rechter zich hiermee partijdig en/of vooringenomen heeft getoond.

3.Het standpunt van mr. Smit-Colenbrander

3.1.
Mr. Smit-Colenbrander is blijkens haar brief van 22 april 2014 van mening dat zij zich niet vooringenomen en/of partijdig heeft getoond door het –niet nader onderbouwde- aanhoudingsverzoek van verzoeker af te wijzen. Ter zitting heeft zij een aantal feitelijke vragen gesteld, naar aanleiding van een toets die de rechter ambtshalve moet uitvoeren. Mr. Smit-Colenbrander is van mening dat uit deze omstandigheden niet een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid en/of partijdigheid heeft kunnen ontstaan bij verzoeker.

4.De beoordeling

4.1.
Ingevolge artikel 8:15 van Pro de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2.
De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek.
4.3.
De wrakingskamer stelt voorop dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter als uitgangspunt geldt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter tegenover een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend. Aan de hand van deze maatstaf zal de wrakingskamer het verzoek beoordelen.
4.4.
Op 4 november 2013 heeft verzoeker een brief aan de rechtbank gezonden waarin hij –onder andere- verzoekt om aanhouding van de zitting die op 22 november 2013 zou plaatsvinden. Verzoeker heeft dit aanhoudingsverzoek enkel onderbouwd door te schrijven dat er sprake was van onvoorziene omstandigheden zonder uit te leggen wat die omstandigheden precies waren. Nu op deze manier niet precies duidelijk is waarom iemand niet op een rechtszitting aanwezig kan zijn, worden dergelijke verzoeken in de regel afgewezen. Dit is ook wat mr. Smit-Colenbrander heeft gedaan en daaruit kan dan ook niet de conclusie worden getrokken dat er sprake is van partijdigheid of vooringenomenheid.
4.5.
Het verzoek om de zitting achter gesloten deuren te laten plaatsvinden, heeft
mr. Smit-Colenbrander bij brief van 19 november 2013 toegewezen. Deze brief heeft verzoeker, althans zo is door verzoeker ter zitting gesteld, daags na de zitting bereikt.
4.6.
Op 19 november 2013 heeft verzoeker opnieuw een brief aan de rechtbank gezonden, waarbij hij als onderwerp aangeeft: ik zal niet op de zitting verschijnen. In deze brief heeft verzoeker wel de reden opgegeven waarom hij niet aanwezig kon zijn. Dit had voor mr. Smit-Colenbrander wellicht aanleiding kunnen zijn om de zitting uit te stellen maar omdat de brief niet zozeer een (hernieuwd) verzoek om aanhouding bevatte maar veeleer de stellige mededeling dat verzoeker niet ter zitting zou verschijnen, acht de wrakingskamer voorstelbaar dat mr. Smit-Colenbrander de zitting niet heeft aangehouden. In ieder geval is de wrakingskamer van oordeel dat hieruit niet blijkt dat er sprake is van partijdigheid of vooringenomenheid.
4.7.
Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 22 november 2013 heeft mr. Smit-Colenbrander de zaak behandeld door enkele juridische vragen te stellen, uit welke vraagstelling niet is gebleken dat mr. Smit-Colenbrander zich partijdig of vooringenomen heeft getoond. Ook haar reactie op het wrakingsverzoek geeft de wrakingskamer geen aanleiding partijdigheid of vooringenomenheid aan te nemen.
4.8.
De wrakingskamer is gezien het voorgaande van oordeel dat de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden er niet toe leiden dat geconcludeerd moet worden dat mr. Smit-Colenbrander zich vooringenomen of partijdig heeft getoond of dat bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor heeft kunnen doen ontstaan. Nu de wrakingskamer ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de rechterlijke onpartijdigheid schade zouden kunnen doen lijden, moet de conclusie zijn dat het onderhavige verzoek tot wraking dient te worden afgewezen.

5.De beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank Noord-Nederland:
5.1.
wijst het verzoek tot wraking van mr. Smit-Colenbrander af,
5.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak (met zaaknummer Awb 13/853) wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking,
5.3.
beveelt de onmiddellijke mededeling van deze beslissing aan verzoeker,
mr. S.B. Smit-Colenbrander en de minister van Veiligheid en Justitie.
Deze beslissing is gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mrs. G.H. Boekaar en
H.J. Idzenga, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Veenstra als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2014.
griffier voorzitter