AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit vaststelling uitgangspositie in kader LFNP wegens onvoldoende motivering
Eiser, werkzaam als medewerker basispolitiezorg bij politieregio Fryslân, stelde bezwaar in tegen de vaststelling van zijn uitgangspositie in het kader van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP). Verweerder had bij besluit van 24 oktober 2011 de uitgangspositie definitief vastgesteld en het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelt dat het besluit van 24 oktober 2011 een besluit in de zin van artikel 1:3 AwbPro is en dat de vaststelling van de uitgangspositie meer omvat dan een functiebeschrijving, namelijk ook schriftelijk opgedragen werkzaamheden en bijzondere situaties. Eiser voerde aan dat zijn werkzaamheden als coördinator en praktijkcoach niet waren meegenomen, terwijl deze wezenlijk afwijken van de normale werkzaamheden van een medewerker basispolitiezorg.
Verweerder ging niet inhoudelijk in op deze gronden en beriep zich onterecht op het ontbreken van een verzoek tot functieonderhoud en het niet indienen van bedenkingen. De rechtbank stelt vast dat verweerder op grond van artikel 7:11 AwbPro verplicht was het bezwaar volledig te heroverwegen en dat het niet doen hiervan leidt tot vernietiging van het besluit.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling bestuursrecht
Locatie Leeuwarden
zaaknummer: AWB LEE 12/1877
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2013 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. E. Broere, werkzaam bij FNV Veiligheid - Nederlandse Politiebond te Woerden),
en
de korpsbeheerder van regiopolitie Fryslân, verweerder
(gemachtigde: J.T. Zwart, werkzaam bij regiopolitie Fryslân).
Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2011 heeft verweerder eisers uitgangspositie in het kader van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (hierna: LFNP) definitief vastgesteld.
Bij besluit van 3 juli 2012 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 2011 ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R. Radema als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.
Overwegingen
1. Eiser is werkzaam bij politieregio Fryslân als medewerker basispolitiezorg.
2. In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is afgesproken dat voor de politie Nederland één nieuw functiegebouw zal gaan gelden. In dat kader is een stelsel van ongeveer 90 organieke functiebeschrijvingen met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per organieke functie. Op basis van matching wordt een vertaalslag gemaakt van de oude naar de nieuwe functies, inclusief de bijbehorende waardering. Dit geheel wordt aangeduid als het LFNP.
3. Bij brief van 20 april 2011 heeft verweerder eiser een overzicht toegestuurd van de functie waarop hij op 31 december 2009 was aangesteld en de mutaties die hierin hebben plaatsgevonden tussen 31 december 2009 en 31 maart 2011. Volgens deze brief is de laatstgenoemde functie in dit overzicht eisers actuele uitgangspositie op 31 maart 2011. Dit betreft de functie medewerker basispolitiezorg. Verweerder heeft eiser in de gelegenheid gesteld bedenkingen in te brengen tegen dit overzicht. Daarnaast heeft verweerder eiser gewezen op de mogelijkheid om functieonderhoud aan te vragen. Eiser heeft geen bedenkingen ingebracht en geen functieonderhoud aangevraagd.
4. Bij brief van 24 oktober 2011 heeft verweerder definitief vastgesteld dat eisers uitgangspositie in het kader van het LFNP de functie van medewerker basispolitiezorg is. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze vaststelling gehandhaafd.
5. Op grond van artikel 6, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie (hierna: het Besluit) worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de functies en de bij de functies behorende waarderingen. Tevens worden regels gesteld over de overgang van ambtenaren naar een functie die is opgenomen in het LFNP.
Op grond van het negende lid kan de ambtenaar bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om, indien de feitelijk opgedragen werkzaamheden ten minste één jaar afwijken van een hem in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 opgedragen functie, de werkzaamheden en de functie met elkaar in overeenstemming te brengen. Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld over de behandeling van deze aanvraag.
6. Op grond van artikel 1, aanhef en onder e, van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie (hierna: de regeling) wordt in deze regeling verstaan onder functieonderhoud: het in overeenstemming brengen van de functie en de daarbij behorende functiebeschrijving met de feitelijke werkzaamheden.
Op grond van artikel 2, eerste lid, wordt een aanvraag functieonderhoud uiterlijk ingediend op 23 mei 2011. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een standaardformulier. Artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is van overeenkomstige toepassing.
7. Volgens de toelichting op de regeling (Stcrt. 2012/3097) is de eerste stap van de invoering van het LFNP de vaststelling van de uitgangspositie(s) van de ambtenaar in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011. In dit verband worden de uitgangspositie(s) omschreven als: de functie(s) en in samenhang daarmee de functiebeschrijvingen(en) en/of de schriftelijk opgedragen werkzaamheden en/of bijzondere situaties (zoals bijvoorbeeld outplacement) van een ambtenaar op enig moment vanaf 31 december 2009, zoals vastgelegd in een besluit of in besluiten. De tweede stap is de feitelijke matching van de uitgangspositie(s) van de ambtenaar met een functie uit het LFNP.
8. De rechtbank stelt vast dat het in deze zaak niet gaat om (een verzoek om) functieonderhoud, maar om de definitieve vaststelling van eisers uitgangspositie in het kader van de invoering van het LFNP.
9. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 24 oktober 2011, waarbij verweerder eisers uitgangspositie in het kader van het LFNP heeft vastgesteld, een besluit is in de zin van artikel 1:3 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar het oordeel van de rechtbank is deze brief op rechtsgevolg gericht, omdat de vastgestelde uitgangspositie te zijner tijd het uitgangspunt zal zijn voor de feitelijke matching met een functie uit het LFNP. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 mei 2006 (LJN: AX6542). In deze uitspraak heeft de CRvB geoordeeld dat de vaststelling van de uitgangspositie van de betrokkenen bij een reorganisatie moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 vanPro de Awb. Dat het in dit geval niet om een reorganisatie gaat, is naar het oordeel van de rechtbank geen grond om anders te oordelen over de vraag of de vaststelling van de uitgangspositie een besluit is. De rechtbank acht hierbij mede van belang dat de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis (Stcrt. 2012/3097 en Staatsblad 2012/30) de bedoeling heeft gehad dat de uitgangspositie wordt vastgelegd in een besluit. Met dit oordeel sluit de rechtbank aan bij het expliciete oordeel van de rechtbank Amsterdam (AWB 12/2380 AW, niet gepubliceerd) en het impliciete oordeel van de rechtbank Den Haag (AWB 12/7641, niet gepubliceerd), maar wijkt zij af van het standpunt van de voormalige rechtbanken 's-Hertogenbosch (LJN: BX9082) en Zwolle (LJN: BY8370).
10. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder zijn werkzaamheden als Coördinator Operationele Zaken en Horecacoördinator en zijn werkzaamheden als praktijkcoach ten onrechte niet heeft meegenomen bij het vaststellen van zijn uitgangspositie. Volgens eiser wijken zijn werkzaamheden wezenlijk af van de normale werkzaamheden van een medewerker basispolitiezorg. Eiser verzorgt de briefing van andere medewerkers en stuurt andere medewerkers aan. Volgens eiser worden deze werkzaamheden normaal uitgevoerd door een brigadier. Volgens eiser blijkt uit artikel 1, aanhef en onder r, van de (concept) Regeling overgang naar een LFNP functie (hierna: de conceptregeling) dat de uitgangspositie niet alleen is bedoeld om de eigen (organieke) functie weer te geven, maar juist ook om aanvullende werkzaamheden, afspraken of bijzondere situaties te vermelden. Verweerders standpunt dat eiser functieonderhoud had moeten aanvragen is hiermee in strijd. Eiser heeft er uitdrukkelijk op gewezen dat het niet zijn bedoeling is om door middel van deze procedure alsnog functieonderhoud te bewerkstelligen. Deze procedure is er enkel op gericht om een aanpassing van de uitgangspositie te bewerkstelligen, zodat bij de matching wordt uitgegaan van de juiste werkzaamheden. Verder heeft eiser aangevoerd dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij geen bedenkingen heeft ingediend, omdat dit geen formeel juridische stappen zijn en het hem altijd vrijstaat bezwaar te maken tegen een besluit in de zin van de Awb.
11. Verweerder heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat eiser geen bedenkingen heeft ingediend tegen het voornemen van 20 april 2011 en dat hij evenmin (tijdig) een verzoek tot functieonderhoud heeft ingediend. Daarom bestaat er volgens verweerder geen reden om eisers uitgangspositie te wijzigen en moet ervan worden uitgegaan dat deze uitgangspositie juist is vastgesteld. Dat hij geen dossieronderzoek heeft gedaan in het kader van het vaststellen van de uitgangspositie doet hieraan volgens verweerder niet af.
12. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet inhoudelijk is ingegaan op de gronden die eiser heeft aangevoerd tegen de definitieve vaststelling van zijn uitgangspositie in het kader van het LFNP. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde verklaard dat verweerder niet betwist dat eiser de door hem genoemde werkzaamheden in de referteperiode heeft verricht, maar dat verweerder niet heeft beoordeeld of dit opgedragen werkzaamheden zijn, omdat dit volgens verweerder in het kader van deze procedure niet relevant is.
13. De rechtbank leidt uit de toelichting op de regeling af dat de uitgangspositie in het kader van het LFNP meer is dan een functiebeschrijving. Naast de functiebeschrijving(en) worden in deze uitgangspositie ook de eventuele, schriftelijk opgedragen (extra) werkzaamheden en/of bijzondere situaties van een ambtenaar op enig moment vanaf 31 december 2009 vastgelegd. Reeds daarom heeft verweerder aan de omstandigheid dat eiser geen functieonderhoud heeft aangevraagd niet de conclusie mogen verbinden dat er geen reden is om eisers uitgangspositie te wijzigen en ervan moet worden uitgegaan dat deze uitgangspositie juist is vastgesteld. Deze conclusie heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook niet kunnen verbinden aan de omstandigheid dat eiser geen bedenkingen heeft ingebracht tegen de brief van 20 april 2011. Zoals eiser terecht heeft opgemerkt, is de mogelijkheid om bedenkingen in te brengen geen verplichte voorprocedure. De omstandigheid dat eiser geen bedenkingen heeft ingebracht tegen het besluit van 24 oktober 2011, maakt dan ook niet dat eiser daartegen geen bezwaar meer kon maken. Verweerder was op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb gehouden zijn besluit van 24 oktober 2011 op grondslag van eisers bezwaar volledig te heroverwegen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte niet inhoudelijk is ingegaan op de gronden die eiser heeft aangevoerd tegen de definitieve vaststelling van zijn uitgangspositie.
14. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien en geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat verweerder nog geen inhoudelijk standpunt heeft ingenomen over eisers bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 2011. Daarom zal de rechtbank verweerder opdragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,00 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,00, te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2013.
w.g. rechter
w.g. griffier
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.