ECLI:NL:RBNNE:2013:6267

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 oktober 2013
Publicatiedatum
16 oktober 2013
Zaaknummer
C/18/136758 / HA ZA 12-330
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:185 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering verdeling pensioenrechten na scheiding ondanks convenant afkoop alimentatie

Partijen zijn in 1988 gescheiden en in 1989 sloten zij een convenant tot afkoop van alimentatie. De man ging in december 2002 met pensioen. In augustus 2012 maakte de vrouw aanspraak op haar deel van het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen. De rechtbank oordeelt dat de man niet heeft bewezen dat de vrouw bij de verdeling van de gemeenschap van goederen heeft afgezien van haar pensioenrechten.

De man voerde rechtsverwerking aan vanwege het tijdsverloop, maar dit werd verworpen omdat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die een gerechtvaardigd vertrouwen rechtvaardigen dat de vrouw haar aanspraak niet meer zou maken. De rechtbank overweegt dat de vrouw vanwege het consumptieve karakter van pensioen niet met terugwerkende kracht aanspraak kan maken, maar alleen vanaf de brief van augustus 2012.

De rechtbank verwijst naar eerdere vonnissen en stelt dat de vrouw recht heeft op de periodiek geïndexeerde waarde van het pensioen vanaf 2012. De man wordt uitgenodigd om een akte in te dienen over de hoogte van de maandelijkse betaling aan de vrouw. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing.

Uitkomst: De vrouw krijgt vanaf augustus 2012 recht op haar deel van het opgebouwde pensioen; eerdere aanspraken worden afgewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht
Zittingsplaats Groningen
zaaknummer / rolnummer: C/18/136758 / HA ZA 12-330
Vonnis van 16 oktober 2013
in de zaak van
[eiseres 1],
wonende te [plaats],
eiseres,
advocaat mr. H.W. Bongers te Groningen,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats 2],
gedaagde,
advocaat mr. E.H. Jansen te Groningen.
Partijen zullen hierna [eiseres 1] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 10 april 2013,
  • het proces-verbaal van getuigenverhoor van 7 mei 2013,
  • de conclusie na enquête aan de zijde van [gedaagde],
  • de conclusie na enquête aan de zijde van [eiseres 1].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is overwogen in het vonnis van 10 april 2013. In dat vonnis heeft de rechtbank [gedaagde] opgedragen te bewijzen feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat [eiseres 1] bij de verdeling van de gemeenschap van goederen, heeft afgezien van verdeling van de pensioenrechten.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is [gedaagde] niet in deze bewijsopdracht geslaagd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
2.3.
[gedaagde] heeft als getuigen gehoord zijn huidige echtgenote, mevrouw [naam], en zich zelf. In contra-enquête is [eiseres 1] gehoord.
2.4.
[naam] heeft verklaard dat toen [gedaagde] in 2002 met pensioen ging, [eiseres 1] twee keer tegen haar heeft gezegd dat het pensioen van [gedaagde] was afgekocht. Ook [gedaagde] en de kinderen hebben gezegd dat het pensioen was afgekocht.
2.5.
[gedaagde] heeft verklaard dat hij er altijd van overtuigd is geweest dat de afkoopsom van ƒ 18.000,00 uit het convenant uit 1989 zowel bestaat uit alimentatie als uit pensioen. Volgens [gedaagde] is ƒ 8.000,00 voor alimentatie en de rest voor overbedeling, waarbij hij doelt op de pensioenopbouw. Op de papieren van de pensioenopbouw staat dat hij met ruim ƒ 9.000,00 is overbedeeld. [gedaagde] kan zich niet herinneren dat [eiseres 1] apart heeft gesproken over alimentatie of over pensioen. [eiseres 1] heeft wel gezegd dat hij dan van alles af was. Een bedrag van ƒ 8.000,00 voor alimentatie vindt [gedaagde] niet weinig omdat [eiseres 1] snel daarna ging samenwonen. Achteraf vindt hij het bedrag te hoog. Als hij had geweten dat ze zo snel zouden gaan samenwonen, was hij nooit akkoord gegaan met het bedrag.
2.6.
[eiseres 1] heeft verklaard dat de papieren over het pensioen in 1988 zijn gekomen. Haar advocaat had om die papieren gevraagd. Op de papieren - die ze nu niet meer kan terugvinden - stond dat zij recht had op pensioen als zij 65 werd. [eiseres 1] heeft voorgesteld om tot afkoop van alimentatie te komen. Dat voorstel ging alleen over alimentatie, niet over pensioen. Het bedrag van ƒ 18.000,00 komt neer op anderhalf jaar alimentatie. Ze vindt dat een schappelijk bedrag. Toen zij dit voorstel deed, woonde ze nog niet samen. Ze is wel in dat zelfde jaar gaan samenwonen. Het meeste van het geld is naar de kinderen gegaan. In de tijd dat [gedaagde] met pensioen ging, heeft [naam] haar gezegd dat ze een partnerschap aanging omdat ze anders geen pensioen kreeg. [eiseres 1] heeft zelf niet meer aan het pensioen gedacht. Ze heeft niets gezegd over afkoop van pensioen. Met de kinderen heeft ze nooit over pensioen gesproken.
2.7.
De rechtbank stelt vast dat noch uit de verklaring van [gedaagde] noch uit de verklaring van [eiseres 1] blijkt dat bij de totstandkoming van het convenant in mei 1989 tussen partijen is gesproken over het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen. Wel zijn in het kader van de echtscheiding de pensioenpapieren aan [eiseres 1] gegeven. [eiseres 1] was ten tijde van het sluiten van het convenant dus wel geïnformeerd over haar pensioenrechten. Dat wil echter nog niet zeggen dat het in mei 1989 afgesproken bedrag van ƒ 18.000,00 mede de opgebouwde pensioenrechten omvatte. Zoals in het vonnis van 10 april 2013 is overwogen, duidt de tekst van het convenant er op dat het bedrag uitsluitend ziet op alimentatie. Volgens [gedaagde] was het bedrag samengesteld uit twee delen, te weten ƒ 8.000,00 voor afkoop van alimentatie en de rest voor afkoop pensioen. Hij heeft echter geen feiten of omstandigheden genoemd waaruit blijkt dat [eiseres 1] ook uitging van deze twee delen en daarmee heeft ingestemd. Integendeel, hij heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat [eiseres 1] destijds apart over het pensioen heeft gesproken. Door [eiseres 1] is verklaard dat het bedrag uitsluitend betrekking had op alimentatie. Ook uit de enkele opmerking van [eiseres 1] richting [gedaagde] dat hij dan van alles af was, kan niet worden opgemaakt dat zij daarbij tevens doelde op de pensioenrechten.
2.8.
De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van [naam] dat [eiseres 1] twee keer tegen haar heeft gezegd dat het pensioen van [gedaagde] was afgekocht, nu [eiseres 1] heeft ontkend dat zij dat heeft gezegd en er overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de verklaring van [naam] ondersteunen. [gedaagde] heeft in ieder geval niet verklaard dat hij van [naam] heeft gehoord dat [eiseres 1] tegen haar had gezegd dat het pensioen was afgekocht en heeft ook niet verklaard dat [eiseres 1] dat ooit tegen hem of tegen de kinderen heeft gezegd.
2.9.
Nu [gedaagde] geen feiten of omstandigheden heeft bewezen waaruit blijkt dat [eiseres 1] bij de verdeling van de gemeenschap van goederen heeft afgezien van verdeling van de pensioenrechten, komt, zoals in het vonnis van 10 april 2013 is overwogen, de vordering tot verdeling van de pensioenrechten voor toewijzing in aanmerking. Zoals ook in het vonnis van 10 april 2013 is overwogen, kan het beroep van [gedaagde] op rechtsverwerking niet slagen, omdat naast het tijdsverloop geen andere (bijzondere) omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan [gedaagde] het gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben dat [eiseres 1] haar aanspraak op pensioenrechten niet meer geldend zou maken. Het door [gedaagde] genoemde vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2013 (LJN: BZ5052) leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
2.10.
Wat betreft de wijze van verdeling (artikel 3:185 Burgerlijk Pro Wetboek) overweegt de rechtbank dat rekening houdend met de belangen van zowel [eiseres 1] als van [gedaagde] de billijkheid met zich brengt dat [eiseres 1] niet met terugwerkende kracht aanspraak kan maken op de pensioenrechten. De rechtbank verwijst daarbij naar het door [gedaagde] overgelegde vonnis van de rechtbank Groningen van 28 april 2010 (nummer 105116 / HA ZA 08-804) en betrekt daarbij het consumptieve karakter van pensioen. Sinds [gedaagde] in december 2002 met pensioen ging, heeft [eiseres 1] bijna tien jaar gewacht voordat zij aanspraak maakte op haar deel van het opgebouwde pensioen. Kennelijk heeft zij daartoe eerder geen noodzaak gezien. Een en ander brengt met zich dat zij uitsluitend aanspraak kan maken op uitkering van de periodiek geïndexeerde waarde van het te verdelen pensioen van [gedaagde] vanaf de brief van [eiseres 1] van 3 augustus 2012.
2.11.
Om te kunnen vaststellen welk bedrag [gedaagde] maandelijks aan [eiseres 1] zal moeten betalen, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich hierover bij akte nader uit te laten. [gedaagde] is de meest gerede partij om daarin het initiatief te nemen.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
6 november 2013voor het nemen van een akte door [gedaagde] over hetgeen is vermeld onder 2.11, waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2013. [1]

Voetnoten

1.type: