3.10.Van de bespreking is een (door [eiser] en [betrokkene] geaccordeerd) verslag opgemaakt, dat, voor zover hier van belang, luidt als volgt:
(…)
1. Inleiding
(…)
Op de vraag van de mediator wat de verwachting van de mediaton betreft van beiden, geeft [betrokkene] aan dat hij een bevredigende uitkomst voor beide partijen wenst, waarbij de insteek de financiële ontvlechting betreft. [eiser] kreeg ‘jeuk’ van de ingeschakelde echtscheidingsadvocaat, nu van een relationele scheiding geen sprake is. Ook zij wil graag een bevredigende uitkomst voor beiden.
(…)
2. Relatiecrisis
(…)
Ook tijdens de mediation geeft [eiser] aan dat zij angst heeft dat de man - net als de vorige keer - allereerst een financiële afwikkeling wenst en vervolgens de relatie toch zal beëindigen. In 2016 heeft de man aangekondigd te willen scheiden, nadat de huwelijkse voorwaarden waren aangepast.
(…)
Afgesproken wordt dat [eiser] (en ook [betrokkene]) de financiële afwikkeling zal behandelen alsof de relatie daadwerkelijk over zou zijn, om te voorkomen dat zij nu iets zouden tekenen waar zij zich in de toekomst door benadeeld zouden voelen.
(…)
4. Huwelijkse voorwaarden
(…)
De mediator stelt de vraag wat de reden is dat [betrokkene] tot een financiële ontvlechting wil komen. Hij geeft aan dat [eiser] ongeveer 2 jaar geleden haar bedrijf heeft verkocht en dat zij de stal met manege wilde aankopen voor 1,4 miljoen euro. [betrokkene] was het niet eens met deze beslissing, nu hij vindt dat hier veel tijd en energie in gaat zitten die ten koste gaan van het gezin, dat de inkomsten waarschijnlijk terug de stal in zullen gaan en dat dit zou inhouden dat er geen pensioen overblijft voor over 15 jaar (nu hij geen/weinig pensioen opbouwt). Immers, het geld zit dan in stenen. Hij wil echter geen belemmering voor mevrouw vormen en vindt dat ze moet doen wat ze wil, maar wil dan wel een financiële scheiding hebben om over zijn gelden te kunnen beschikken, zonder dat deze in de stal vast zouden zitten.
Vervolgens heeft [betrokkene] - nu hij tot financiële ontvlechting wilde komen - een overzicht gemaakt met alle vermogensbestanddelen met de geschatte waarde daarvan en een voorstel gedaan aan [eiser] om tot afwikkeling te komen, waarbij sprake zou zijn van een afkoop van partneralimentatie. Hij heeft in een Excel overzicht berekend dat hij bij overname van de woning en uitkering van de helft van de overwaarde aan [eiser] een bedrag van afgerond € 90.000,-- van haar dient te ontvangen, nu de waarde in haar bedrijf veel hoger is dan de overwaarde van € 370.000,-- die hij aan [eiser] moet voldoen. Hij is bereid om van dit bedrag van € 90.000,-- af te zien en een bedrag van € 120.000,-- te voldoen (een totaal bedrag van € 600.000,-- inclusief de lening van de B.V. van de vrouw ad € 479.000,--).
Dit bedrag voldoet hij dan onverplicht. Hij gaf aan met zijn advocaat mr. Zillikens te hebben besproken dat geen aanleiding bestaat voor partneralimentatie, gezien het eigen inkomen en vermogen van [eiser] alsmede het feit dat hij alle kosten van de kinderen betaalt. Omdat dit - gezien zijn hoge inkomen - niet goed voelt, wil hij het bedrag van in totaal € 210.000,-- aan mevrouw schenken (door 90.000,-- niet te incasseren en € 120.000,-- te betalen).
Omgerekend zou dit dan uitkomen op een nettobedrag van € 3.500,-- per maand, en bruto € 7.000,-- per maand aan partneralimentatie.
De mediator geeft aan de huwelijkse voorwaarden nog te willen ontvangen om te controleren of de juridische uitgangspunten zoals hierboven genoemd staan correct zijn.
(…)
5. Echtelijke woning
Betrokkenen geven aan dat de woning in [plaats 2] op 30 mei 2023 is gewaardeerd op€ 1.350.000,-- en dat betrokkenen van die waarde willen uitgaan.(…)
Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij ING Bank van € 140.000,-- en partijen hebben een lening van de B.V. van de vrouw van € 479.000,--. De overwaarde die [eiser] bij overname van de woning (…) zou moeten krijgen betreft aldus € 370.000,-- volgens betrokkenen.
6. Overige vermogensbestanddelen
(…)
[betrokkene] geeft aan dat hij het voorstel heeft gedaan uitgaande van de cijfers van 2021 met als voorbehoud dat hij de cijfers van 2022 er nog naast wilde houden om uit te sluiten dat zijn voorstel door een wijziging heel onredelijk zou worden. Betrokkenen zijn als peildatum overeengekomen 31 december 2022 voor zowel de samenstelling als de waardering van de vermogensbestanddelen, waarvan zijn uitgezonderd de echtelijke woning (…).
[betrokkene] geeft aan dat hij zich financieel benadeeld voelt door [eiser], nu zij hem niet heeft verteld dat de waarde van de bedrijfspanden die op de balans opgenomen staan tegen de boekwaarde een forse meerwaarde vertegenwoordigen (de stille reserves). Hij denkt dat [eiser] dit bewust heeft achtergehouden.
[eiser] geeft aan dat zij bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden in 2016 ook zijn uitgegaan van de boekwaarde om de hoogte te bepalen van het vermogen dat alleen aan haar toekomt nu zij dit heeft overgenomen van haar vader. In geval toen ook al zou zijn uitgegaan van de waarde van de panden destijds, zou een hoger bedrag zijn afgesproken tussen partijen waarboven [betrokkene] de helft zou krijgen. Zij heeft dus niet vreemd gevonden dat opnieuw een voorstel is gedaan uitgaande van de boekwaarde, nu je anders appels met peren vergelijkt.
[betrokkene] geeft aan dat dit alsnog niet eerlijk is, nu de panden vanaf 2016 ook jaarlijks worden afgeschreven en dat dit ongeveer € 25.000,-- per jaar zou betreffen, wat dan ook uit zou komen op € 175.000,-- verschil t.o.v. 2016. [eiser] geeft aan dat dit onjuist is, nu slechts een jaarlijkse afschrijving van 3% mogelijk is. Bovendien is duidelijk voor beiden dat de panden die in die B.V. opgenomen zijn al voor 2016 zijn aangekocht.
[betrokkene] geeft aan het niet redelijk te vinden dat het bedrijfspand voor € 280.000,-- op de balans staat, lager dan de WOZ-waarde, terwijl dit pand voor € 725.000,-- wordt verkocht. [eiser] geeft aan dat dit voor een boekwinst zal zorgen, waarover ook nog 25% belasting moet worden betaald.
[eiser] geeft aan dat zij kan leven met het laatste voorstel van [betrokkene], dat hij - inclusief schuld aan de B.V. - een bedrag van € 525.000,-- voldoet, al is zij het niet eens met de rekenwijze en heeft zij niet kunnen controleren of zijn stelling dat zij geen partneralimentatie zou krijgen klopt. Zij vindt dat het meer stuk maakt dan betrokkenen lief is om hierop door te gaan, terwijl de bedoeling is dat zij met elkaar verder gaan.
7. Vergoedingsrecht
(…) Nu betrokkenen een algehele regeling hebben kunnen treffen, zijn zij bereid om dit geschilpunt te laten voor wat het is. De mediator heeft aangestipt dat voor zover sprake zou zijn van een gemeenschap van goederen volgens de huwelijkse voorwaarden, dit geldbedrag niet teruggestort zou hoeven te worden. Dat is alleen anders als sprake is van een uitsluitingsclausule bij de schenking, maar daarvan is volgens beiden geen sprake.
8. Partneralimentatie
De partner die niet in zijn/haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien doordat deze niet voldoende inkomen heeft, noch in redelijkheid kan verwerven, kan aanspraak maken op een alimentatiebijdrage. Onder “niet voldoende inkomen” moet worden verstaan: niet voldoende om het welstandsniveau tijden het huwelijk te kunnen voortzetten. (…)
De maximale periode dat alimentatie dient te worden betaald, is de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van vijf jaar. Nu geen uitzondering zich voordoet, zou ook in dit geval betekenen dat alimentatie moet worden betaald tot uiterlijk vijf jaar na de echtscheiding. (…) Betrokkenen menen dat een alimentatieverplichting - in de zin van een maandelijks te betalen bedrag - niet wenselijk is. In het gedane voorstel van [betrokkene] zou dit betekenen dat de partneralimentatie is afgekocht en dus geen (extra/nadere) bijdrage meer kan worden gevraagd in het levensonderhoud van [eiser].
9. Voortgang
Partijen spreken af dat zij het besprekingsverslag afwachten, de stukken zullen aanleveren en vervolgens een nieuwe afspraak zullen inplannen om een concept convenant door te nemen.