ECLI:NL:RBNHO:2026:838

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
HAA 25/1374
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na zelf ontslag bij nul-urencontract

Eiser heeft een WW-uitkering aangevraagd, maar het UWV wees deze af omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden door zelf ontslag te nemen op 20 november 2024. Eiser voerde aan dat hij een nul-urencontract had en niet meer werd opgeroepen door zijn werkgever, waardoor hij geen inkomen had en geen ander werk kon aannemen zolang hij nog in dienst was.

De rechtbank beoordeelde dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden. Er waren geen zodanige bezwaren die het voortzetten van de dienstbetrekking redelijkerwijs onmogelijk maakten. Eiser had kunnen overleggen met zijn werkgever en had ook eerder naar ander werk kunnen zoeken voordat hij ontslag nam.

Daarom is het beroep ongegrond verklaard, krijgt eiser geen WW-uitkering, geen terugbetaling van griffierecht en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter I.M. Ludwig op 23 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de WW-uitkering wordt geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1374

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Procesverloop

1. Met het primaire besluit van 17 december 2024 heeft het UWV de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) afgewezen.
2. In het bestreden besluit van 26 februari 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij die afwijzing gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen. Het UWV is zonder bericht niet verschenen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

5. Eiser heeft een aanvraag gedaan voor een WW-uitkering. Deze aanvraag is bij het primaire besluit van 17 december 2024 afgewezen. Het UWV is van mening dat eiser geen recht heeft op een WW-uitkering omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden doordat hij op 20 november 2024 zelf ontslag heeft genomen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
6. In bezwaar heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij een nul-urencontract had, en dat hij zonder uitleg van de werkgever niet meer werd opgeroepen. Hij kon geen ander werk aanvaarden zolang hij nog niet gestopt was, waardoor hij dus heeft opgezegd.
7. In het bestreden besluit van 26 februari 2025 heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de WW-aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen.
9. In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW staat dat een werknemer verplicht is om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden als de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
10. Eiser vindt dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden. Hij heeft weliswaar zelf ontslag genomen, maar had geen andere keuze. Van hem kon niet verwacht worden dat hij bij zijn oude werkgever ( [werkgever] ) bleef werken omdat hij niet meer werd opgeroepen voor werk. Hierdoor had eiser geen inkomen en zat er voor hem niets anders op dan een andere baan te zoeken. Bovendien had [werkgever] al een vervanger voor hem aangenomen.
11. De rechtbank oordeelt dat het UWV in het geval van eiser terecht is uitgegaan van verwijtbare werkloosheid. Uit de door eiser overgelegde stukken en het verklaarde ter zitting blijkt niet dat er zodanige bezwaren waren verbonden aan het voortzetten van eisers dienstbetrekking bij [werkgever] , dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser mogelijk in een financieel lastige situatie terecht zou komen wanneer [werkgever] hem niet meer op zou roepen voor werk, had het op de weg van eiser gelegen om daarover in gesprek te gaan met zijn werkgever. Daarnaast had eiser op zoek kunnen gaan naar een nieuwe baan vóórdat hij ontslag nam bij [werkgever] .
12. Het voorgaande betekent dat het UWV de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Het beroep slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, rechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.