ECLI:NL:RBNHO:2026:8345

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
15-040767-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 446 SvArt. 181 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ongegrond verklaard op vordering tot onderzoek aan telefoon bij verdenking mishandeling

De officier van justitie stelde een vordering in tot onderzoek aan de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte, die verdacht wordt van mishandeling van zijn partner. De rechter-commissaris wees deze vordering af omdat het onderzoek niet in overeenstemming was met de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, mede omdat het leek te zijn ingegeven door een intern onderzoek door de politie als werkgever.

De officier van justitie stelde hoger beroep in en voerde aan dat het onderzoek noodzakelijk was vanwege de ernst van het strafbare feit en mogelijke eerdere incidenten, mede gezien de PTSS en alcoholmisbruik van de verdachte. De rechtbank oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk was, maar dat de noodzaak tot het verrichten van het onderzoek onvoldoende was onderbouwd.

De rechtbank vond dat de vordering te verstrekkend was en dat er geen duidelijke relatie was tussen het onderzoek aan de telefoon en de waarheidsvinding omtrent de mishandeling op 24 januari 2026. Ook de mogelijke eerdere incidenten waren onvoldoende onderbouwd. De rechtbank bevestigde daarmee het oordeel van de rechter-commissaris en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Het hoger beroep van de officier van justitie wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van de noodzaak tot onderzoek aan de telefoon van de verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Haarlem
parketnummer : 15-040767-26
Beslissing op het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep op grond van artikel 446 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van de meervoudige raadkamer van 14 april 2026
in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] .

De procedure

Het hoger beroep is achter gesloten deuren behandeld in de meervoudige raadkamer van 14 april 2026. Gehoord is de officier van justitie, mr. J.J. van Bree. De rechtbank heeft toepassing gegeven aan artikel 23 lid 6 Sv Pro en de verdachte niet opgeroepen.
De vordering van de officier van justitie bij de rechter-commissaris
De officier van justitie heeft op 10 februari 2026 een vordering met onderliggende stukken ingediend bij de rechter-commissaris die ertoe strekt een machtiging te verlenen tot het verrichten van onderzoek van gegevens op de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte. De vordering ziet op het verrichten van onderzoek naar alle in de telefoon aanwezige gegevens zonder beperking in periode. Met deze vordering is beoogd te voldoen aan de vereiste voorafgaande toetsing van de rechter-commissaris, wanneer de toegang tot de gegevens het risico van een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de betrokkene met zich brengt (Hof van Justitie van de Europese Unie 4 oktober 2024, CG tegen Bezirkshauptmannschaft Landeck, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830, en Hoge Raad 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409).
De beslissing van de rechter-commissaris
De rechter-commissaris heeft op 12 februari 2026 de vordering afgewezen. De rechter-commissaris heeft daartoe overwogen dat uit de vordering en onderliggende stukken blijkt dat er sprake is van een verdenking van mishandeling, gepleegd door een politieambtenaar tegen zijn partner. Het onderzoek aan de telefoon lijkt echter veeleer te zijn ingegeven door de wens van de politie om als werkgever van de verdachte onderzoek te doen naar het functioneren van en naleven van de wet door haar werknemer. De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat de bevoegdheid tot het doen van onderzoek aan de telefoon daar niet voor is bedoeld en voorts dat er minder vergaande middelen denkbaar zijn. Het onderzoek aan de telefoon is dan ook niet in overeenstemming met de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.
Het hoger beroep van de officier van justitie
Op 24 februari 2026 heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld en op 6 maart 2026 een schriftuur ingediend. De officier van justitie heeft bij de behandeling in de raadkamer van 14 april 2026 gepersisteerd bij de inhoud van het appelschriftuur en deze nader toegelicht.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een vordering die krachtens het Wetboek van Stafvordering is genomen, in de zin van artikel 446 Sv Pro, en dat hij daarom in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Subsidiair is de vordering aan te merken als een vordering ex artikel 181 Sv Pro.
Er is sprake van een verdenking van (zware) mishandeling. Dit is een ernstig strafbaar feit en het is gebruikelijk dat de politie hier onderzoek naar doet. De verdachte heeft zijn partner in hulpeloze toestand achtergelaten en gelet op de mogelijke achterliggende problematiek bij de verdachte (PTSS en alcoholmisbruik), valt niet uit te sluiten dat al eerder incidenten hebben plaatsgevonden. De partner van de verdachte heeft geen aangifte willen doen, wat vaker voorkomt bij huiselijk geweld. Hierdoor zijn de middelen om onderzoek te doen naar dit feit beperkt. Daarom is het volgens de officier van justitie van belang om onderzoek te verrichten aan de telefoon van de verdachte naar dit incident en mogelijke eerdere geweldsincidenten. Afgeleid daarvan kunnen mogelijk maatregelen genomen worden ten aanzien van de beroepsuitoefening van de verdachte. Met dit laatste wordt niet meer bedoeld dan dat er naast het strafrechtelijke onderzoek ook een intern traject bij de politie aan de orde zal zijn.

De beoordeling

De ontvankelijkheid van het hoger beroep
De rechtbank stelt allereerst vast dat, overeenkomstig de wettelijke voorschriften, het hoger beroep binnen veertien dagen na de beslissing van de rechter-commissaris is ingediend en dus tijdig.
Daarnaast dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of artikel 446 Sv Pro een grondslag biedt voor onderhavig hoger beroep. In het licht van het eerdergenoemde Landeck arrest is, bij gebrek aan een wettelijke regeling in het Wetboek van Strafvordering, in de praktijk een nieuwe werkwijze ontstaan, waarbij het openbaar ministerie voor de op basis van het Landeck arrest vereiste voorafgaande rechterlijke toetsing voor het verrichten van onderzoek aan een telefoon, een vordering tot het verkrijgen van een machtiging bij de rechter-commissaris doet. Hoewel het huidige Wetboek van Strafvordering het vorderen van zo’n machtiging niet als eis stelt, verzet het stelsel van dat wetboek zich er niet tegen dat de officier van justitie zo’n vordering doet, aldus de Hoge Raad.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat tegen een afgewezen Landeck-vordering hoger beroep mogelijk is en dat kan worden aangenomen dat sprake is van een ‘krachtens dit wetboek genomen vordering’. Een andere uitleg laat zich slecht verenigen met de hiervoor weergegeven jurisprudentie en verhoudt zich ook niet met het feit dat afgewezen vorderingen ex artikel 181 Sv Pro appellabel zijn.
De officier van justitie kan dus in zijn hoger beroep worden ontvangen.
De inhoudelijke beoordeling
Met betrekking tot de inhoud van het hoger beroep overweegt de rechtbank als volgt.
Gevorderd is dat onderzoek zal worden verricht naar alle gegevens aanwezig in de telefoon, zonder een beperking in periode. Een zo verstrekkende vordering, die leidt tot een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, vergt een beoordeling of die inbreuk gerechtvaardigd is. Daarbij moet onder meer worden gelet op de aard en de gevoeligheid van de gegevens, de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft, de relatie tussen de gebruiker en het strafbare feit en het belang van het onderzoek aan de gegevensdrager voor de vaststelling van dit feit (waarheidsvinding).
De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in onderhavige zaak de noodzaak tot het verrichten van onderzoek aan de telefoon vanwege de verdenking van een (zware) mishandeling door de verdachte onvoldoende heeft onderbouwd. Zo is niet duidelijk geworden waarom onderzoek aan de telefoon van de verdachte, zonder beperking in omvang of tijd, noodzakelijk is voor de waarheidsvinding naar de vermeende mishandeling op 24 januari 2026. De onderliggende stukken bieden ook geen aanknopingspunten voor de door de officier van justitie geopperde mogelijkheid van eerdere geweldsincidenten waarbij de verdachte betrokken zou zijn. Dat de verdachte bij de politie werkt, mogelijk te kampen heeft met PTSS of alcoholmisbruik zijn naar het oordeel van de rechtbank geen factoren die in het licht van het voorgaande een zo vergaand onderzoek aan de telefoon rechtvaardigen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de rechter-commissaris de juiste toetsingsmaatstaf heeft toegepast en de rechtbank ziet geen aanleiding om, met toepassing van deze maatstaf, anders te oordelen dan de rechter-commissaris heeft gedaan. Het hoger beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het hoger beroep van de officier van justitie ongegrond;
- bepaalt dat de onderhavige beslissing van de rechtbank niet aan de verdachte (en diens advocaat) wordt verstrekt zolang het belang van het onderzoek zich tegen openbaarmaking verzet.

Samenstelling rechtbank en beslissingsdatum

Deze beslissing is gegeven door
mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, voorzitter,
mr. M. Hoendervoogt en mr. E. van Kampen, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. W.S. Speelman,
en is in besloten raadkamer uitgesproken op 28 april 2026.
Tegen deze beslissing staat voor de officier van justitie geen rechtsmiddel open