ECLI:NL:RBNHO:2026:8112

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
15/216451-24 en 15/244873-25 (ter terechtzitting gevoegd)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing tot werkstraf

De rechtbank Noord-Holland heeft op 1 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd verdacht van medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld in vereniging, afpersing in vereniging en openlijk geweld. De feiten vonden plaats op 9 juni 2024 en 3 juli 2025 in Zaandam en Koog aan de Zaan.

De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte samen met anderen de benadeelde partij 1 in een woning had opgesloten, bedreigd, geslagen en beroofd van persoonlijke bezittingen. Ook werd vastgesteld dat de verdachte betrokken was bij een diefstal met geweld van een tas van benadeelde partij 2. De verdediging voerde vrijspraak aan, onder meer vanwege gebrek aan bewijs en onbetrouwbaarheid van getuigenverklaringen, maar de rechtbank verwierp deze verweren en oordeelde dat sprake was van medeplegen.

De rechtbank legde een werkstraf van 120 uur op, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, en wees de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij 1 toe. De vordering van benadeelde partij 2 werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De verdachte werd vrijgesproken van overige ten laste gelegde feiten die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur werkstraf, deels voorwaardelijk, met schadevergoeding aan benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/216451-24 en 15/244873-25 (ter terechtzitting gevoegd)
Uitspraakdatum: 1 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 en 17 juni 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de Basis Registratie Personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
[officier van justitie] .
Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van wat
- de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F. Tosun, advocaat te Zaandam;
- [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens de William Schrikker Stichting (hierna: de Jeugdreclassering) en
- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)
naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen en van wat namens hen ter terechtzitting naar voren is gebracht.

1.Tenlastelegging

De rechtbank heeft de feiten van de ter terechtzitting gevoegde dagvaardingen hieronder van een doorlopende nummering voorzien in het kader van de leesbaarheid.
Aan de verdachte is onder parketnummer 15/216451-24 (hierna:
feiten 1, 2 en 3)
ten laste gelegd dat:
Feit 1hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij 1]
- in een kamer in een woning aan de [adres] op/in te sluiten
- in/tegen het gezicht/hoofd en/of het lichaam te duwen/slaan en/of
- [dreigend] de woorden toe te voegen: "als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!" en/of "Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!",
- te verhinderen die kamer te verlaten;
Feit 2hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een paar schoenen en/of een jas en/of een shirt en/of airpods en/of een hoeveelheid kleingeld en/of een telefoon en/of een vape en/of een aansteker, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door die [de benadeelde partij 1]
- in/tegen het gezicht/hoofd en/of het lichaam te duwen/slaan en/of
- hem [dreigend] de woorden toe te voegen: "als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!" en/of "Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking;
Feit 3
hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een paar schoenen en/of een jas en/of een shirt en/of airpods en/of een hoeveelheid kleingeld en/of een telefoon en/of een vape en/of een aansteker, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n] door die [de benadeelde partij 1]
- in/tegen het gezicht/hoofd en/of het lichaam te duwen/slaan en/of
- hem [dreigend] de woorden toe te voegen: "als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!" en/of "Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking;
aan de verdachte is onder parketnummer 15/3554873-25 (hierna:
feit 4)ten laste gelegd dat:
Feit 4
hij op of omstreeks 3 juli 2025 te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die tas [met kracht] los te rukken/trekken/grissen uit [de] hand[en] van die [de benadeelde partij 2] .

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit om de verdachte vrij te spreken van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van wederrechtelijke vrijheidsbeneming, omdat niet kan worden vastgesteld dat aangever [de benadeelde partij 1] tegen zijn wil werd vastgehouden in de woning. [de benadeelde partij 1] kon de kamer gewoon verlaten en is op enig moment ook zelf de kamer uitgelopen en weer teruggekomen. Hij werd door niemand tegengehouden en er werd ook niet tegen hem gezegd dat hij niet weg mocht gaan. Ook toen de deur op slot werd gedraaid, kon hij de kamer verlaten, omdat het slot van binnen uit kon worden geopend. Ter onderbouwing van het standpunt heeft de raadsvrouw verwezen naar de uitspraak opgenomen onder ECLI:NL:GHAMS:2016:5701, waarin een soortgelijke situatie zich voordeed en de verdachte is vrijgesproken. De verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij niet bij het incident betrokken is geweest, waardoor evenmin sprake is van medeplegen.
Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsvrouw het volgende naar voren gebracht. De verdachte heeft verklaard dat hij de hele tijd buiten stond en niets mee kreeg van wat er zich in de kamer afspeelde. De belastende verklaring van medeverdachte [de medeverdachte 1] , waarbij hij de verdachte aanwijst als degene die zich aan de diefstal en afpersing met geweld schuldig heeft gemaakt, is aantoonbaar leugenachtig. [de medeverdachte 1] blijkt zelf ook betrokken te zijn geweest bij de diefstal van goederen en hij probeert dit in de schoenen van de verdachte te schuiven. Als op enig moment een ruzie tussen medeverdachte [de medeverdachte 2] en de aangever ontstaat, lijkt een plan te ontstaan om de aangever te beroven, maar er is geen enkele aanwijzing dat de verdachte daarin een rol heeft gespeeld. Er is weliswaar wettig bewijs aanwezig voor de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal en afpersing met geweld, maar gelet op het gebrek aan overtuiging dient vrijspraak te volgen.
Ten aanzien van feit 4 heeft de verdachte verklaard dat hij samen met de medeverdachte een tas met gestolen spullen ging terughalen. Aangeefster [de benadeelde partij 2] heeft vervolgens de tas met spullen vrijwillig overhandigd. Op grond van de verklaring van de verdachte, die betrouwbaar is, dient de verdachte dan ook te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Dat de verdachte op dat moment daar aanwezig was, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen.
De raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat het wegtrekken van de plastic zak uit handen van de aangeefster niet kan worden gekwalificeerd als diefstal met geweld. Dat de pink van de aangeefster daarbij is blijven haken, valt niet op te maken uit de getuigenverklaringen of de beschrijving van de camerabeelden. Op de camerabeelden is juist te zien dat aangeefster de inhoud van de tas laat zien en de tas vervolgens vrijwillig afgeeft. Nu ook een letselverklaring ontbreekt, kan het tenlastegelegde geweld niet worden bewezen.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3 en 4 op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.2
Bewijsmotivering
Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3
Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, stelt de rechtbank vast dat aangever [de benadeelde partij 1] in de middag van 9 juni 2024 enige tijd in een woning aan [adres] te Zaandam (hierna: de woning) is geweest en daar door meerdere jongens is bestolen. Hij is daarbij geïntimideerd, geslagen en bedreigd.
Vast staat dat de verdachte, samen met medeverdachten [de medeverdachte 1] , [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ten tijde van het gehele incident in de woning aanwezig is geweest. De verdachte heeft verklaard dat hij niets heeft meegekregen van wat zich in de woning afspeelde, omdat hij toen buiten op het balkon was.
De vraag die de rechtbank dan ook moet beantwoorden, is of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt van de tenlastegelegde feiten.
Voor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de afweging hiervan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.
Uit de verklaring van de aangever bij de politie volgt dat hij in de middag van 9 juni 2024 met medeverdachte [de medeverdachte 1] had afgesproken om bij [de medeverdachte 1] thuis te chillen. De aangever heeft [de medeverdachte 1] ontmoet bij het ziekenhuis [ziekenhuis] en ze zijn vervolgens samen naar de woning van [de medeverdachte 1] gelopen. Op een gegeven moment zijn de verdachte en medeverdachten [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ook naar de woning gekomen. In eerste instantie was er niets aan de hand. Op enig moment sloeg de sfeer om en werd de aangever op bed geduwd, van zijn schoenen beroofd en geslagen. Ook voelde de aangever zich gedwongen om, desgevraagd, zijn shirt af te geven. Tegen de aangever werd daarna gezegd dat hij de woning uit moest. De aangever heeft de woning toen verlaten, maar is kort daarna teruggekeerd met het idee om zijn schoenen op te halen. Toen de aangever weer in de woning was, werd de deur van de kamer dicht gedaan en op slot gedraaid. De aangever is naar de deur gerend om de kamer te ontvluchten, maar de weg werd geblokkeerd. De aangever is vervolgens vastgepakt bij zijn kleding, geduwd tegen zijn borst, meerdere keren geslagen tegen zijn hoofd en bedreigd om het wachtwoord van zijn telefoon te geven en met de dood. Zijn jas en telefoon werden van hem afgepakt, zijn broekzakken werden doorzocht en daar werden zijn airpods, kleingeld, vape en een aansteker uit gehaald. Nadat de aangever was gedwongen om in te loggen op de app van zijn bankrekening en te zien was dat het saldo ongeveer € 0,09 bedroeg, heeft de aangever zijn telefoon teruggekregen en werd gezegd dat hij mocht vertrekken. De aangever heeft toen met de draaiknop de deur open gedaan en is weggegaan.
De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar standpunt dat de verklaring van medeverdachte [de medeverdachte 1] aantoonbaar leugenachtig is en daardoor niet voor het bewijs kan worden gebruikt. De rechtbank overweegt allereerst dat de verklaring van deze [de medeverdachte 1] op essentiële punten overeenkomt met de verklaring van de aangever en dat hij in zijn aanvullende verklaringen bij de politie en later bij de rechter-commissaris, daarin consistent is gebleven. De verklaringen van de aangever en [de medeverdachte 1] worden verder ondersteund door de beelden van de in het appartementencomplex aanwezige camera’s. Daarop is te zien dat aangever om half twee ‘s middags een aantal personen het pand binnen laat. Anderhalf uur later loopt de aangever zonder schoenen de gang in richting de tussendeur en een half uur later is te zien dat de aangever zonder schoenen en jas het pand verlaat. Kort daarop loopt de begeleider van [de medeverdachte 1] de gang in en verlaten de personen het pand.
De rechtbank acht de verklaring van [de medeverdachte 1] daarom betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Uit de verklaring van aangever en medeverdachte [de medeverdachte 1] volgt dat de verdachte in de kamer aanwezig is geweest tijdens de vrijheidsberoving en ook feitelijke handelingen heeft verricht, waaronder het op slot doen van de deur, het vastpakken bij de kleding van aangever, het slaan van aangever in het gezicht en het afnemen van de jas van de aangever.
Gelet op deze verklaringen schuift de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij de hele tijd buiten op het balkon heeft gezeten, niets heeft meegekregen van het incident en daar dus ook geen bijdrage aan heeft geleverd, als ongeloofwaardig ter zijde.
De rechtbank overweegt dat de verdachte en medeverdachten samen in de woning waren, daar samen voor de aangever een zeer bedreigende en intimiderende situatie hebben gecreëerd, waarbij de aangever is belet om de woning waar hij zich – met zijn belagers – in bevond, te verlaten. Gedurende het gehele incident zijn de verdachte en de medeverdachten samen geweest, de verdachte heeft zich hier niet van gedistantieerd en de verdachte en medeverdachten hebben vervolgens samen de woning verlaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. De bijdrage van de verdachte aan het geheel van de tenlastegelegde gedragingen is daarbij van zodanig gewicht dat dat dient te worden aangemerkt als medeplegen.
Hiermee is vast komen te staan dat de verdachte opzet heeft gehad op het medeplegen van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing. Het feit dat de aangever op een gegeven moment zelf de woning heeft kunnen verlaten, doet daar niet aan af. Van opsluiting hoeft bij de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving immers geen sprake te zijn. Nadat aangever was teruggekeerd, was hij voortdurend in de nabijheid van de verdachte en medeverdachten en werd hij belemmerd om de woning te verlaten, waarbij hij werd bedreigd en geslagen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen van diefstal met geweld en het medeplegen afpersing wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Ten aanzien van feit 4
De rechtbank stelt vast dat uit de aangifte en de bevindingen van de camerabeelden volgt dat de plastic tas met kracht uit de handen van aangeefster is getrokken. Ook heeft aangeefster verklaard dat bij het wegtrekken van de tas haar pink bleef haken waardoor zij daarna pijn had aan haar pink. De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen kunnen worden aangemerkt als diefstal met geweld.
Vervolgens moet beoordeeld worden of de door de verdachte geleverde bijdrage aan de diefstal met geweld van voldoende gewicht is. Voor het juridisch kader verwijst de rechtbank verder naar het hiervoor onder 3.3.2 opgenomen juridisch kader met betrekking tot medeplegen.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte medeverdachte [de medeverdachte 4] op zijn fatbike naar aangeefster heeft gebracht, er vervolgens bij is gebleven terwijl hij zag dat de diefstal plaats vond en daarna met [de medeverdachte 4] (en de gestolen tas) achterop zijn fatbike deze plek is ontvlucht. De rechtbank is van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte hiermee is komen vast te staan. Verdachte heeft zich immers niet alleen niet onttrokken aan de situatie terwijl dat wel kon maar hij heeft, door [de medeverdachte 4] naar aangeefster te brengen en na de diefstal direct met hem achterop zijn fatbike ervandoor te gaan, een substantiële bijdrage geleverd aan het tenlastegelegde.
Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen van diefstal met geweld bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij 1]
- in een kamer in een woning aan de [adres] , op te sluiten en
- tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en
- dreigend de woorden toe te voegen: "als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!" en "Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!", en
- te verhinderen die kamer te verlaten;
Feit 2hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen een paar schoenen en een jas en airpods en een hoeveelheid kleingeld en een telefoon en een vape en een aansteker, die aan [de benadeelde partij 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij 1]
- tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en
- hem dreigend de woorden toe te voegen: "als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!" en "Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!";
Feit 3
hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een shirt dat aan die [de benadeelde partij 1] toebehoorde door die [de benadeelde partij 1] tegen het gezicht te slaan en tegen lichaam te duwen.
Feit 4
hij op 3 juli 2025 te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een ander een tas met inhoud, die aan [de benadeelde partij 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die tas met kracht los te trekken uit de handen van die [de benadeelde partij 2] .
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens wat op de zitting is besproken is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;
Ten aanzien van feit 2:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Ten aanzien van feit 3:
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Ten aanzien van feit 4:
diefstal, vergezeld van geweld, tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van honderdtwintig (120) uren, subsidiair zestig (60) dagen jeugddetentie, waarvan zestig (60) uren voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, met aftrek van de periode die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.
6.2
Standpunt van de verdediging
Gelet op het feit dat sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 en de verdachte de afgelopen twee jaar niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen, heeft de raadsvrouw verzocht om de verdachte een werkstraf op te leggen gelijk aan het aantal uur van de periode van de inverzekeringstelling.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft samen met anderen [de benadeelde partij 1] in de kamer van een appartement van zijn vrijheid beroofd. De verdachte en zijn mededaders hebben [de benadeelde partij 1] bedreigd, geslagen en geduwd en hem gedwongen om in de kamer te blijven. Daarbij heeft de verdachte samen met anderen met geweld en bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] beroofd van zijn bezittingen dan wel gedwongen tot afgifte daarvan. Een jaar later heeft de verdachte zich wederom schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en samen met een ander [de benadeelde partij 2] beroofd van een tas.
Dit zijn ernstige feiten, die de rechtbank de verdachte aanrekent. De verdachte heeft niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn gedrag voor de slachtoffers. Door zo te handelen heeft hij ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit en levenssfeer van de slachtoffers, waarbij hij bij hen veel angst heeft veroorzaakt. De ervaring leert dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd de nadelige gevolgen daarvan moeten ondervinden, zoals onder meer blijkt uit het verzoek tot schadevergoeding dat namens [de benadeelde partij 1] is ingediend. Hij kampt nog steeds met slaapproblemen, heeft angst om alleen naar buiten te gaan en heeft voor zijn klachten traumatherapie moeten ondergaan. Daarnaast tasten dit soort misdrijven ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder acht geslagen het rapport van de Raad van 27 mei 2026, uitgebracht door [raadsonderzoeker] .
Daaruit komt naar voren dat de verdachte zich gedurende de schorsingsperiode grotendeels aan de voorwaarden heeft gehouden en na juli 2025 niet meer in beeld is gekomen bij politie en justitie. Hij is open en goed in gesprek met de hulpverlening en jeugdreclassering, hij heeft het IFA-traject positief afgerond en ook op school gaat het goed.
Uit het onderzoek is daarnaast naar voren gekomen dat het algemeen recidive risico op basis van het dossier op hoog is ingeschat, maar als er wordt gekeken naar de beschermende factoren dan kan worden vastgesteld dat de verdachte gedurende de schorsingsperiode een stijgende positieve lijn heeft laten zien. Daarnaast is een risicofactor dat de verdachte vrienden heeft die bekend zijn bij de politie, maar door de IFA-coach is hier aandacht aan besteed en de verdachte heeft hierin handvaten aangereikt gekregen.
Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen meerwaarde in begeleiding door de jeugdreclassering, omdat er op dit moment geen grote zorgen naar voren komen over eventuele vaardigheidstekorten en/ of agressie en de verdachte zich de afgelopen twee jaar goed aan de (bijzondere) voorwaarden heeft gehouden. De Raad heeft daarom geadviseerd om de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf op te leggen.
Ter zitting hebben de deskundigen [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] en [vertegenwoordiger van de raad] het advies kort toegelicht en de conclusies bevestigd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de duur en het soort straf acht geslagen op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd, waarbij zij aansluiting heeft gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor jeugdigen voor afpersing/diefstal met geweld, zoals dat is vastgesteld in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten in groepsverband heeft gepleegd alsook met de mate waarin de verdachte en zijn mededaders geweld jegens de slachtoffers hebben toegepast.
Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de redelijke termijn van berechting is overschreden met een periode van meer dan 8 maanden ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding dient te worden gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten noch in de periode van twee jaar nadien voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie of justitie en dat hij in de afgelopen twee jaar in een schorsing heeft gelopen, waarbij hij zich aan strenge voorwaarden, zoals een avondklok en een contactverbod heeft moeten houden.
Deze omstandigheden maken dat de rechtbank het, net als de officier van justitie, niet meer passend vindt om een (voorwaardelijke) jeugddetentie op te leggen.
Gelet op het voorgaande en alles afwegende zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf van honderdtwintig (120) uren opleggen, bij niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door zestig (60) dagen jeugddetentie. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan van vijftig (60) uren vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van één (1) jaar, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7.Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 1]

Namens [de benadeelde partij 1] is een vordering tot schadevergoeding van € 1.600 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.
ingediend. Hij werd daarin bijgestaan door [medewerker] , medewerker bij Slachtofferhulp Nederland.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij dient gelet op de bepleite vrijspraak primair niet ontvankelijk te worden verklaard.
Subsidiair dient deze te worden gematigd naar een bedrag van € 1.000 omdat de vergelijkbare strafzaken die ter onderbouwing van de vordering zijn opgenomen veel heftiger zijn en daarom niet kunnen worden vergeleken met deze zaak. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om de hoofdelijkheidsclausule niet toe te passen omdat dan het risico bestaat dat één van de verdachten alles betaalt en dit niet kan verhalen op de medeverdachten. Daarom is het verzoek om de schadevergoeding te delen, hetgeen inhoudt dat iedere verdachte € 250 betaalt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en wat op de zitting is besproken. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank overweegt dat, nu de immateriële schade bij uitspraak van 1 juli 2026 is vastgesteld, de wettelijke rente ook vanaf dat moment dient te gelden.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, zal de rechtbank niet afwijken van het wettelijke uitgangspunt om de vordering hoofdelijk toe te wijzen voor het geheel aan schade.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad, namelijk wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing. De benadeelde partij die rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte en zijn mededaders, kan aanspraak maken op vergoeding van die schade. Op grond van artikel 6:102 van Pro het Burgerlijk Wetboek zijn alle daders hoofdelijk verbonden tot het betalen van de gehele schade. De rechtbank ziet geen wettelijke grondslag om van dit uitgangspunt af te wijken. Het is juist ook de bedoeling van de wetgever geweest indien er sprake is van twee of meer medeplegers, dat niet het slachtoffer achter de daders aan hoeft te gaan om ieders deel van de schade te innen, maar dat hij de totale schade kan verhalen bij ieder van hen. Het is dan aan de mededaders om onderling een regeling te treffen over de verdeling van de schade. De rechtbank zal dan ook bepalen dat indien een van de medeverdachten dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1,2 en 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen diefstal met geweld en medeplegen afpersing] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
7.1.2 Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 83,43 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
De materiële schade bestaat uit:
- een fles shampoo ad € 6,99
- een borstel ad € 8,50
- een fles parfum Calvin Klein ad € 39,95
- een bus haarlak ad € 9,49
- een fles cremespoeling ad € 6,50
- 20 stuks sigaretten ad € 12,00
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het feit dat de onderbouwing van de materiële schade ontbreekt, deze moet worden geschat op € 50 en voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat deze niet is onderbouwd. Subsidiair heeft zij om niet-ontvankelijkheid van de vordering verzocht omdat de spullen waarvoor vergoeding is gevorderd, niet overeenkomen met de gestolen spullen die in de aangifte staan vermeld.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze niet is onderbouwd.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 47, 77a, 77g 77m, 77n, 77gg, 282, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot het verrichten van
HONDERDTWINTIG (120) urentaakstraf, in de vorm van en werkstraf, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangen
door zestig (60) dagenjeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot
zestig (60) uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door
dertig (30) dagenjeugddetentie,
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op
één (1) jaarbepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 1]geleden schade tot een bedrag van
€ 1.600, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer
[de benadeelde partij 1]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.600, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
0 dagengijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij
[de benadeelde partij 2]niet-ontvankelijk in de vordering.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. van Beek, voorzitter,
mr. C.E. Voskens en mr. A.K. Mireku, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2026.