ECLI:NL:RBNHO:2026:7839

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
15/092622-25 (A), 09/170490-23 (vord tul), 03/004095-24 (B) (ttz gev) en 13/097350-25 (C) (ttz gev)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging brandstichting, bedreiging burgemeester en meerdere mishandelingen

De rechtbank Noord-Holland heeft op 30 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere ernstige strafbare feiten. Deze omvatten een poging tot brandstichting waarbij gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, bedreiging van de burgemeester van Gennep, diverse mishandelingen waaronder van een BOA en zorgverlener, opzetaanranding en verzet bij aanhouding.

De rechtbank achtte de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar vanwege een psychische stoornis, waaronder ADHD en een posttraumatische stressstoornis. De bewezenverklaring was gebaseerd op verklaringen van slachtoffers, getuigen, camerabeelden en forensisch onderzoek. Verweren zoals noodweer en noodweerexces werden verworpen.

De strafmaat werd vastgesteld op 780 dagen gevangenisstraf, waarvan 262 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals behandeling en contactverboden. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan de slachtoffers, variërend van materiële tot immateriële schade, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de Staat.

De rechtbank wees een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf af vanwege de recente opname van de verdachte in een forensisch psychiatrische kliniek. De bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop werden dadelijk uitvoerbaar verklaard om recidive te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 780 dagen gevangenisstraf, waarvan 262 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/092622-25 (A), 09/170490-23 (vord tul), 03/004095-24 (B) (ttz gev)
en 13/097350-25 (C) (ttz gev) (P)
Uitspraakdatum: 30 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
verblijvende in Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) Transfore en aldaar ingeschreven op het adres: Ommerweg 67, 7707 AT te Balkbrug.
De rechtbank heeft de zaken die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovengenoemde parketnummers zijn aangebracht, ter zitting van 16 februari 2026 gevoegd.
De zaak met parketnummer 15/092622-25 wordt hierna aangeduid als zaak A.
De zaak met parketnummer 03/004095-24 wordt hierna aangeduid als zaak B.
De zaak met parketnummer 13/097350-25 wordt hierna aangeduid als zaak C.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Hermans en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw mr. R. Shahbazi, advocaat te 's-Gravenhage, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging in zaak A, kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
ten aanzien van zaak A
feit 1 primair: poging tot opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde 1] te duchten was op 25 maart 2025 in Zaandam;
feit 1 subsidiair: voorbereiding van brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde 1] te duchten was op 25 maart 2025 in Zaandam;
feit 2: bedreiging van [benadeelde 1] op 25 maart 2025 in Zaandam;
feit 3: mishandeling van [benadeelde 1] op 25 maart 2025 in Zaandam;
ten aanzien van zaak B
feit 1: mishandeling van [benadeelde 2] op 3 januari 2024 in Gennep;
feit 2: verzet bij aanhouding op 3 januari 2024 in Gennep;
feit 3: bedreiging van [benadeelde 3] (de burgemeester van de gemeente Gennep) in de periode van 12 december 2023 tot en met 3 januari 2024 in Gennep;
ten aanzien van zaak C
feit 1: vernielen, beschadigen en/of onbruikbaar maken van een telefoon van [benadeelde 4] op 8 maart 2025 in Amsterdam;
feit 2: mishandeling van [benadeelde 4] op 8 maart 2025 in Amsterdam;
feit 3: opzet- dan wel schuldaanranding van [benadeelde 4] op 8 maart 2025 in Amsterdam;
feit 4: mishandeling van [benadeelde 5] op 8 maart 2025 in Amsterdam.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle (primair) ten laste gelegde feiten.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit in zaak A, de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten in zaak B en de vier ten laste gelegde feiten in zaak C. Ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten in zaak A heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op noodweer, dan wel noodweerexces. Voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde feit in zaak B heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op de standpunten van de raadsvrouw zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten in zaak A, de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten in zaak B en de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten in zaak C op grond van de bewijsmiddelen die in
bijlage IIbij dit vonnis zijn vervat.
De verweren van de verdediging ten aanzien van feit 1 in zaak B en de feiten 2 en 4 in zaak C worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.
De bewijsmotivering en de verweren ten aanzien van de overige bewezenverklaarde feiten worden besproken in de chronologisch volgorde waarin de feiten hebben plaatsgevonden. De rechtbank zal daarom beginnen met feit 3 in zaak B, gevolgd door feit 1 en feit 3 in zaak C, en vervolgens met de feiten 1 tot en met 3 in zaak A.
3.3.1
Ten aanzien van feit 3 in zaak B (bedreiging van de burgemeester van de gemeente Gennep)
De verdachte wordt onder feit 3 in zaak B verweten dat hij [benadeelde 3], de burgemeester van de gemeente Gennep, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. De verdachte ontkent de bedreigende aard van zijn gedraging en woorden. De grafsteen was een protestdaad, de woorden waren uitingen van frustratie en een verlangen naar een gesprek. De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde handelingen en uitlatingen objectief niet geschikt zijn om de redelijke vrees voor een misdrijf tegen het leven gericht te wekken. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat het opzet van de verdachte ontbreekt ten aanzien van het wekken van die vrees.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de verweren het volgende.
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan voor het misdrijf waarmee werd gedreigd.
De rechtbank gaat op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 13 december 2023 heeft de verdachte de grafsteen van zijn overleden dochter voor de ingang van het gemeentehuis in Gennep neergelegd. Toen de agenten ter plaatse kwamen, heeft de verdachte verklaard dat hij dit heeft gedaan omdat hem onrecht was aangedaan, dat dit betrekking had op zijn overleden dochter en dat hij dit de burgemeester kwalijk nam. Op 3 januari 2024 ging de verdachte naar de nieuwjaarsreceptie van de gemeente Gennep toen hij door [benadeelde 2], een Buitengewoon Opsporingsambtenaar (hierna: BOA), werd aangesproken. De BOA herkende de verdachte, omdat de verdachte op 4 december 2023 een toegangsverbod voor het gemeentehuis in Gennep had gekregen vanwege eerdere incidenten. De BOA heeft vervolgens tegen de verdachte gezegd dat hij niet naar binnen mocht en de locatie moest verlaten. Hierna heeft de verdachte de BOA mishandeld door hem te slaan, zoals blijkt uit de bewijsmiddelen van het onder 1 bewezenverklaarde feit in zaak B. De verdachte is hierna aangehouden, waarbij hij zich heeft verzet. Tijdens de aanhouding heeft de verdachte gezegd dat hij de burgemeester op gaat zoeken en dat hij niet voor niets de grafsteen voor de ingang van het gemeentehuis heeft gegooid. De verdachte pleegde hevig verzet en schreeuwde daarbij dat hij voor de burgemeester kwam en hem wel te pakken krijgt en hem wel weet te vinden.
De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat uitlatingen van de verdachte als ‘ik weet hem wel te vinden’, ‘ik krijg hem wel te pakken’ en ‘ik neem het de burgemeester kwalijk’ op zichzelf niet zonder meer bedreigend zijn. Echter in de context bezien, namelijk door een grafsteen, een item geassocieerd met de dood, voor de deur van het gemeentehuis te plaatsen en de dwingende en escalerende wijze waarop de verdachte zich in het contact en tijdens (eerdere) incidenten met medewerkers van de gemeente heeft opgesteld, kan naar het oordeel van de rechtbank bij de burgemeester van de gemeente Gennep de redelijke vrees zijn ontstaan dat de verdachte hem ook daadwerkelijk van het leven zou beroven. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen en uitlatingen kan het niet anders dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het ontstaan van die vrees. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de in zaak B onder 3 ten laste gelegde bedreiging.
3.3.2
Ten aanzien van feit 1 in zaak C (beschadiging van een telefoon)
De verdachte wordt onder feit 1 in zaak C verweten dat hij de telefoon van zijn huisgenoot [benadeelde 4] (hierna: [benadeelde 4]) heeft beschadigd. Het verweer van de verdediging komt erop neer dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om te kunnen concluderen dat de verdachte de telefoon van [benadeelde 4] heeft beschadigd. Volgens de verdachte was de telefoon al beschadigd.
De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer het volgende.
De verdachte heeft erkend dat hij de telefoon van [benadeelde 4] uit zijn handen heeft geslagen. [benadeelde 4] heeft verklaard dat de verdachte dit met dusdanige kracht heeft gedaan, dat de telefoon uit zijn hand vloog en met hoge snelheid tegen de muur is gekomen. [benadeelde 4] heeft voorts verklaard dat zijn telefoon nog als nieuw en onbeschadigd was en dat het scherm na de klap tegen de muur vol barsten zat. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [benadeelde 4]. Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat de telefoon reeds beschadigd was. Het verweer wordt verworpen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de telefoon van zijn huisgenoot heeft beschadigd.
3.3.3
Ten aanzien van feit 3 in zaak C (aanranding)
De verdachte wordt onder feit 3 in zaak C verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzet- dan wel schuldaanranding van [benadeelde 4]. De verdachte ontkent seksuele handelingen te hebben verricht jegens [benadeelde 4]. De raadsvrouw heeft primair bepleit dat bewijs ontbreekt van enige seksuele handeling bij gebrek aan steunbewijs. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen, zoals blijkt uit de geverbaliseerde camerabeelden, geen evident seksueel karakter vertoont. Meer subsidiair heeft zij aangevoerd dat het vereiste opzet dan wel schuld ontbreekt.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de verweren het volgende.
Opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is aan de orde wanneer iemand met een persoon seksuele handelingen verricht terwijl diegene weet dat bij die persoon daartoe de wil ontbreekt. Van een seksuele handeling is sprake bij een aanraking van een seksueel lichaamsdeel zoals een geslachtsdeel.
[benadeelde 4] heeft verklaard dat de verdachte op 8 maart 2025 seks-bewegingen heeft gemaakt. De verdachte heeft dat eerder gedaan en ging toen tegen hem aan ging rijen en zei: “ik ga je neuken!”. Op 8 maart 2025 voelde [benadeelde 4] dat de verdachte met zijn penis in zijn broek tegen hem kwam en dat de verdachte meerdere keren druk uitoefende met zijn geslachtsdeel tegen zijn lichaam. [benadeelde 4] heeft tegen de verdachte gezegd dat hij moest stoppen en dat hij weg moest gaan. [benadeelde 4] heeft verklaard dat de verdachte doorging en dat hij, [benadeelde 4], voelde dat de verdachte nog steeds druk met zijn geslachtsdeel tegen zijn lichaam bleef uitoefenen. De verklaring van [benadeelde 4] vindt steun in de beschrijving van de camerabeelden. Daaruit blijkt namelijk dat de verbalisant de camerabeelden heeft bekeken en hierop heeft waargenomen dat de verdachte seksuele bewegingen maakte in de richting van [benadeelde 4]. De verdachte heeft tijdens het verhoor van 9 maart 2025 verklaard dat hij deze bewegingen heeft gemaakt omdat hij seks wilde met de vrouw van [benadeelde 4]. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte met zijn geslachtsdeel onmiskenbaar seksuele handelingen zijn. De verdachte heeft zijn geslachtsdeel meerdere keren tegen het lichaam van [benadeelde 4] gedrukt, terwijl [benadeelde 4] tegen de verdachte heeft gezegd dat hij moest stoppen. Daarmee wist de verdachte dat [benadeelde 4] dit niet wilde maar heeft hij de wil van [benadeelde 4] genegeerd. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding. De verweren van de raadsvrouw worden verworpen.
3.3.4
Ten aanzien van feiten 1 en 2 in zaak A (poging brandstichting en bedreiging)
De verdachte wordt onder feiten 1 en 2 in zaak A verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot brandstichting, waarbij levensgevaar dan wel zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1]) te duchten was en dat hij [benadeelde 1] heeft bedreigd. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om te kunnen concluderen dat de verdachte opzet had op een poging tot brandstichting.
De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer het volgende.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat [benadeelde 1] een begeleider van de verdachte was bij stichting Forsa Amsterdam, waar de verdachte tot 10 maart 2025 verbleef. Onder meer naar aanleiding van het incident op 8 maart 2025 (de in zaak B ten laste gelegde feiten) is op 10 maart 2025 besloten dat de verdachte de woning moest verlaten en dat de zorg aan hem werd beëindigd. De verdachte heeft zijn kamer moeten ontruimen, waarbij spullen van hem zijn weggeraakt. De verdachte was daar boos en gefrustreerd over en wilde zijn spullen terug. Hij heeft hierover veelvuldig contact opgenomen met [benadeelde 1] en met de politie en heeft het privéadres van [benadeelde 1] opgezocht. Op 25 maart 2025 rond 6:30 uur is de verdachte met de auto naar de woning van [benadeelde 1] gereden. [benadeelde 1] hoorde gegil buiten en hierop uit zijn woning gekomen. Uit zowel de verklaring van [benadeelde 1] als de verklaring van de verdachte volgt dat de verdachte een jerrycan met benzine bij zich had en dat de verdachte benzine naar [benadeelde 1] heeft gegooid en dat daarbij benzine in het gezicht van [benadeelde 1] terecht is gekomen. [benadeelde 1] heeft verklaard er ook benzine in zijn oog kwam, waardoor hij een pijnscheut in zijn oog voelde.
[benadeelde 1] heeft verklaard dat hij hoorde dat de verdachte daarbij schreeuwde: “ik steek je in brand”. Uit reactie heeft [benadeelde 1] de verdachte een klap in zijn gezicht gegeven, waarna de verdachte de jerrycan liet vallen. Vervolgens heeft [benadeelde 1] verklaard dat de verdachte in zijn zakken begon te voelen en uit zijn rechterzak een donkerkleurige aansteker pakte. Om te voorkomen dat de verdachte hem in de brand zou steken heeft [benadeelde 1] de verdachte een aantal klappen gegeven, onder meer met een camerastatief die hij van binnen had gepakt.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door een jerrycan uit de auto te halen, te roepen “ik steek je in de fik” en benzine over [benadeelde 1] te gooien, [benadeelde 1] heeft bedreigd met brandstichting, zoals aan hem ten laste is gelegd in zaak A onder feit 2.
De rechtbank acht ook bewezen dat de verdachte een aansteker ter hand heeft genomen. Daarbij gaat de rechtbank uit van de aangifte, omdat er geen reden is om aan de verklaring van [benadeelde 1] op dit punt te twijfelen. De verdachte heeft daarentegen wisselend verklaard over de vraag of hij een aansteker bij zich had. Direct ter plaatse heeft hij tegen de politie gezegd dat hij een aansteker bij zich had, maar dat hij deze voor de woning van [benadeelde 1] heeft weggegooid. Tegenover de rechter-commissaris heeft de verdachte verklaard dat hij ter verdediging in zijn zak had gevoeld en gezegd dat hij een aansteker zou pakken, maar dat hij geen aansteker bij zich had en dat deze in de auto lag, terwijl hij later heeft ontkend een aansteker(s) bij zich te hebben gehad. De verklaring van [benadeelde 1] vindt steun in de omstandigheid dat op ongeveer vijf meter van de voortuin van [benadeelde 1] een aansteker is aangetroffen. De aangetroffen aansteker is nader onderzocht. Daarbij is gebleken dat de aansteker geen vloeistof meer bevatte en een gat aan de zijkant had. De aansteker gaf echter nog wel vonken.
De rechtbank komt in het licht van de hierboven beschreven en uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot brandstichting. De verdachte heeft benzine over [benadeelde 1] gegooid en heeft een aansteker ter hand genomen, terwijl hij heeft geroepen dat hij [benadeelde 1] in brand zou gaan steken. Deze handelingen van de verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van de brandstichting. Daaruit volgt ook dat de opzet van de verdachte daarop gericht is geweest. Daarbij was gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde 1] te duchten. Het verweer van de raadsvrouw worden verworpen.
De raadsvrouw heeft ter zitting verzocht om de gevonden aansteker alsnog nader te onderzoeken op DNA-sporen van [benadeelde 1]. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat dit onderzoek noodzakelijk is om het alternatieve scenario dat [benadeelde 1] zelf de aansteker bij zijn voortuin heeft neergelegd te kunnen uitsluiten. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat het dossier geen aanknopingspunten bevat dat [benadeelde 1] de aansteker zelf voor zijn voortuin zou hebben neergelegd. De rechtbank ziet ook geen enkele logische verklaring waarom een persoon die net is overgoten met benzine een aansteker zou pakken om degene die hem heeft overgoten in een kwaad daglicht te zetten. De rechtbank merkt bovendien op dat eventueel DNA-materiaal van [benadeelde 1] op de aansteker niet afdoet aan de vraag of de aan de verdachte tenlastegelegde poging tot brandstichting kan worden bewezen.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de in zaak A onder 1 ten laste gelegde poging tot brandstichting.
3.3.5
Ten aanzien van feit 3 in zaak A (mishandeling)
De verdachte wordt onder feit 3 in zaak A verweten dat hij [benadeelde 1] heeft mishandeld. Door de verdediging is een beroep gedaan op noodweer. De verdediging heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat de verdachte door [benadeelde 1] werd aangevallen, wat een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval was, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Op zitting heeft de verdachte verklaard dat [benadeelde 1] toen hij nog in de auto zat naast de auto kwam staan met een langwerpig voorwerp. De verdachte heeft verklaard dat hij vervolgens is uitgestapt waarna hij door [benadeelde 1] meermaals met het voorwerp is geslagen. Daarna is [benadeelde 1] teruggelopen naar de woning en kwam hij terug met een hakbijl. Toen is de verdachte naar de achterbak van de auto gelopen, heeft hij de jerrycan gepakt, benzine over zichzelf gegoten en [benadeelde 1] gewaarschuwd dat hij niet dichterbij moest komen. [benadeelde 1] gaf daar geen gehoor aan en de verdachte heeft vervolgens benzine over [benadeelde 1] gegooid om hem van hem af te houden.
Het gedane beroep op noodweer raakt in het voorliggende geval aan de bewijsvraag, omdat met de term ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 Sr Pro mede de wederrechtelijkheid van de gedraging tot uitdrukking wordt gebracht.
Voor een geslaagd beroep op noodweer moet aannemelijk zijn dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed. Een beroep op noodweer kan volgens vaste rechtspraak niet worden aanvaard als de gedraging van de verdachte, naar de kern bezien, als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.
Uitgaande van de feiten zoals de rechtbank die onder 3.3.4 heeft vastgesteld, is niet aannemelijk geworden dat op het moment dat de verdachte de benzine over [benadeelde 1] gooide sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [benadeelde 1]. Daarbij gaat de rechtbank uit van de aangifte. Uit de aangifte blijkt immers dat de verdachte naar de woning van [benadeelde 1] is gereden, dat [benadeelde 1] de voordeur heeft geopend nadat hij gegil hoorde en hij vervolgens de verdachte de voortuin in zag lopen met een jerrycan in zijn hand. De verdachte gooide benzine over [benadeelde 1]. Daarbij heeft de verdachte gezegd: “ik steek je in brand”. [benadeelde 1] heeft de verdachte vervolgens geslagen.
De verklaring van [benadeelde 1] wordt ondersteund door de verklaring van een getuige. Deze getuige heeft verklaard dat [benadeelde 1] moeite moest doen om de verdachte op afstand te houden. Uit het voorgaande blijkt dat het de verdachte is geweest die de confrontatie heeft opgezocht. De rechtbank merkt de gedragingen van de verdachte daarom aan als aanvallend, zodat het beroep op noodweer faalt.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de (primair) ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat:
ten aanzien van zaak A
feit 1 primair
hij op 25 maart 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten, terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde 1] te duchten was
- met een auto naar de woning van die [benadeelde 1] is gereden,
- vervolgens zich met een jerrycan gevuld met benzine en een aansteker richting die [benadeelde 1] heeft begeven,
- een hoeveelheid benzine in het gezicht en over het lichaam van die [benadeelde 1] heeft gegooid,
- een hoeveelheid benzine over zichzelf heen heeft gegoten, terwijl hij, verdachte, op korte afstand van die [benadeelde 1] stond en
- vervolgens een aansteker ter hand heeft genomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
hij op 25 maart 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, [benadeelde 1] heeft bedreigd met zware mishandeling en brandstichting, door
- een hoeveelheid benzine in het gezicht en over het lichaam van die [benadeelde 1] te gooien,
- vervolgens een aansteker ter hand te nemen, en
- door die [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen "ik steekje in de brand";
feit 3
hij op 25 maart 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, [benadeelde 1] heeft mishandeld door een hoeveelheid benzine in het gezicht en over het lichaam van die [benadeelde 1] te gooien;
ten aanzien van zaak B
feit 1
hij op 3 januari 2024 te Gennep [benadeelde 2] heeft mishandeld door die [benadeelde 2] te slaan;
feit 2
hij op 3 januari 2024 te Gennep, zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [benadeelde 2] (Buitengewoon opsporingsambtenaar), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door in de richting van die [benadeelde 2] en/of personen die bij de aanhouding assisteerden te schoppen en/of door zijn, verdachtes, lichaam in een andere richting te bewegen dan die [benadeelde 2] hem wilde brengen;
feit 3
hij in de periode van 12 december 2023 tot en met 3 januari 2024 te Gennep, [benadeelde 3] (burgemeester van gemeente Gennep), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door
- een grafsteen neer te leggen bij de hoofdingang van het gemeentehuis en tegen [getuige 1] en [getuige 2] te zeggen: "ik neem het de burgemeester kwalijk", en
- tegen [benadeelde 2] en [getuige 3] te zeggen "ik krijg hem wel te pakken" en "ik weet hem wel te vinden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, waar die [benadeelde 3] kennis van heeft genomen;
ten aanzien van zaak C
feit 1
hij op 8 maart 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon die aan [benadeelde 4] toebehoorde heeft beschadigd;
feit 2
hij op 8 maart 2025 te Amsterdam [benadeelde 4] heeft mishandeld door die [benadeelde 4] met een barkruk tegen het lichaam te slaan;
feit 3
hij op 8 maart 2025 te Amsterdam met [benadeelde 4] seksuele handelingen heeft verricht, door
- met zijn geslachtsdeel tegen die [benadeelde 4] aan te gaan staan en
- tegen die [benadeelde 4] aan te rijen
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde 4] daartoe de wil ontbrak;
feit 4
hij op 8 maart 2025 te Amsterdam [benadeelde 5] heeft mishandeld door die [benadeelde 5] een kopstoot te geven en tegen de kaak te slaan.
De in de tenlasteleggingen voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

4.1
Kwalificatie
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A
feit 1 primair: poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
feit 2:bedreiging met zware mishandeling en brandstichting;
ten aanzien van zaak B
feit 2:wederspannigheid;
feit 3:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
ten aanzien van zaak C
feit 1:opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
feit 3:opzetaanranding;
ten aanzien van feit 3 in zaak A, feit 1 in zaak B, feit 2 en feit 4 in zaak C
telkens: mishandeling.
4.2
Beroep op noodweer
De raadsvrouw heeft ook betoogd dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt ten aanzien van de in zaak A onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging.
Omdat de rechtbank heeft vastgesteld dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding komt de verdachte ook ten aanzien van de in zaak A tenlastegelegde bedreiging geen beroep op noodweer toe.
Er is geen andere omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

5.1
Beroep op noodweerexces
De raadsvrouw heeft subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces. Door de raadsvrouw is aangevoerd dat het handelen van de verdachte een onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding van aangever.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een noodweersituatie en dat het beroep op noodweerexces om die reden moet worden verworpen.
De rechtbank overweegt dat een beroep op noodweerexces in beeld kan komen bij een "overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging", dus wanneer aan alle eisen die aan noodweer worden gesteld, is voldaan, behalve aan de proportionaliteitseis. Omdat de rechtbank onder 3.3.5 heeft vastgesteld dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, kan het beroep op noodweerexces niet slagen.
Er is geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 780 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 262 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie heeft gevorderd aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden te verbinden die in het reclasseringsrapport worden genoemd, waaronder een contactverbod met [benadeelde 1] en [benadeelde 5], en een locatieverbod voor de woning van [benadeelde 1]. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat deze voorwaarden en het daarop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Ook heeft de officier van justitie gevorderd de reeds geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis op te heffen.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met de rapporten van de gedragsdeskundigen, waarin wordt geadviseerd de ten laste gelegde feiten (indien bewezen) in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Daarnaast heeft de raadsvrouw gesteld dat de door de reclassering genoemde bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijk strafdeel kunnen worden verbonden.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (ernstige) strafbare feiten, waaronder een poging tot brandstichting, waarbij gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, bedreiging van een burgemeester en meerdere mishandelingen, waaronder van een BOA en een zorgverlener. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding, beschadiging en heeft hij zich verzet bij zijn aanhouding.
De verdachte heeft met zijn gedrag een grove inbreuk gemaakt op de integriteit van de slachtoffers. Uit de slachtofferverklaring van de voormalig begeleider van de verdachte blijkt dat het feit dat de verdachte hem heeft bedreigd en mishandeld door benzine over hem heen te gooien en op enig moment een aansteker in handen heeft gehad een schokkende gebeurtenis is geweest. Het handelen van de verdachte heeft gevaar opgeleverd voor het slachtoffer. Dit neemt de rechtbank de verdachte kwalijk, temeer nu de plek waar het plaatsvond de woning van het slachtoffer betrof. Ook met de andere mishandelingen en bedreigingen heeft de verdachte voor angst en overlast gezorgd bij de slachtoffers. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat de slachtoffers ook opsporingsambtenaren en zorgverleners zijn die hun werkzaamheden uitoefenden. Dit soort feiten doen afbreuk aan het veiligheidsgevoel in het algemeen en van de slachtoffers in het bijzonder. De verdachte heeft met zijn handelen bovendien laten zien ten tijde van het plegen van de feiten geen respect te hebben voor (de eigendommen van) anderen. De rechtbank rekent de verdachte dit alles zwaar aan.
De persoon van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte van 4 juni 2026 volgt dat de verdachte eerder wegens vernieling en huisvredebreuk is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, waardoor hij zich in een proeftijd bevond toen hij nieuwe strafbare feiten pleegde. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. De rechtbank weegt deze omstandigheid in het nadeel van de verdachte mee bij de straftoemeting.
Er is onderzoek verricht naar de geestvermogens van de verdachte. De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport van 9 januari 2026, opgesteld door [psychiater], psychiater, en het Pro Justitia-rapport van 19 januari 2026, opgesteld door mr. drs. [psycholoog], psycholoog. De conclusies van de deskundigen luiden, samengevat, dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis. Bij de verdachte is sprake van ADHD, een posttraumatische stressstoornis, een stoornis in cannabisgebruik en borderline en narcistische trekken in de persoonlijkheid. De psychiater heeft geconcludeerd dat deze stoornissen bij de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten in zaak B aanwezig waren en bij het plegen van de strafbare feiten (indien bewezen) hebben doorgewerkt in het gedrag en de gedragskeuzes van de verdachte. De psychiater heeft geadviseerd om het bewezenverklaarde in zaak B in verminderde mate toe te rekenen
De psycholoog acht sprake van een doorwerking van deze stoornissen op het gedrag en de gedragskeuzes van de verdachte ten tijde van alle ten laste gelegde feiten. De psycholoog heeft geadviseerd om het bewezenverklaarde in verminderde mate toe te rekenen.
De rechtbank volgt de conclusies en overwegingen van de deskundigen over de toerekeningsvatbaarheid en neemt de conclusie van de psycholoog over, nu op grond van het rapport van de psychiater niet kan worden uitgesloten dat de stoornissen hebben doorgewerkt op het gedrag en de keuzes van de verdachte bij alle feiten. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat bij de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde sprake was van een psychische stoornis en dat deze stoornis van invloed is geweest op zijn handelen ten tijde van het bewezenverklaarde. Op grond hiervan rekent de rechtbank de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe en zal daarmee rekening houden bij de strafoplegging.
Uit het eerder genoemde rapport van de psychiater blijkt dat het risico op (relatief mild) geweld als matig tot hoog wordt ingeschat. Vanuit behandeloogpunt worden de volgende interventies overwogen (in volgorde van urgentie): traumaverwerking, interventies gericht op persoonlijkheidsproblematiek, abstinentie van middelen en behandeling van ADHD. Naast deze interventies kan de verdachte baat hebben bij praktische ondersteuning. De psychiater komt niet tot een eenduidig advies over het juridisch kader waarbinnen deze interventies moeten plaatsvinden. Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat het risico op gewelddadig gedrag als verhoogd wordt ingeschat. Dit hangt samen met de psychische problematiek, emotionele instabiliteit, verhoogde impulsiviteit, krenkbaarheid en een escalerende houding. Gelet op de complexiteit van de problematiek van de verdachte komt ook de psycholoog niet tot een eenduidig advies over het juridisch kader waarbinnen interventies moeten plaatsvinden.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van het Leger des Heils van 1 juni 2026. Uit dit advies blijkt dat de verdachte baat heeft bij passende hulpverlening, maar dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om interventies in een forensisch kader in te zetten. De verdachte is ambivalent ten aanzien van behandeling, heeft beperkt inzicht in zijn problematiek en stelt zich sterk zelfbepalend op. Daarnaast is gebleken dat veiligheidsrisico’s in acht moeten worden genomen en dat het (voorlopig) noodzakelijk is om afgeschermd te (blijven) werken. Verder blijkt uit het rapport dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat, gelet op de aanwezige psychische problematiek, waarbij onder meer sprake is van verhoogde impulsiviteit en emotionele instabiliteit, wat zich uit in verstoorde coping- en conflicthanteringsmethoden.
De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Indien de rechtbank besluit een voorwaardelijke straf op te leggen, adviseert de reclassering daaraan de onderstaande bijzondere voorwaarden te verbinden:
  • meldplicht bij reclassering;
  • opneming in een zorginstelling;
  • ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;
  • verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
  • contactverbod met de slachtoffers;
  • locatieverbod (zonder elektronische monitoring);
  • beheersing middelengebruik.
De verdachte is kort voor de zitting, per 4 juni 2026, uit de voorlopige hechtenis geschorst en opgenomen in FPK Transfore. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij gemotiveerd is om mee te werken aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, waaronder de behandeling van de FPK.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank enkel oplegging van een gevangenisstraf gerechtvaardigd. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 780 dagen (26 maanden) moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat 262 dagen daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zullen worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal bepalen dat de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht. Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf is hiermee gelijk aan het voorarrest. Hoewel de reclassering geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht risico’s beperken acht de rechtbank, gelet op de problematiek van de verdachte en de daarvoor benodigde behandeling, oplegging van de voornoemde bijzondere voorwaarden noodzakelijk. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de verdachte kort geleden is opgenomen in FPK Transfore ter behandeling van zijn problematiek en deze behandeling en begeleiding noodzakelijk is. Verder heeft de reclassering, zoals de officier van justitie op zitting heeft aangegeven, toegezegd het benodigde begeleidingstraject, dat na de klinische opname nog nodig zal zijn, wel te zullen uitvoeren.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank ziet ook aanleiding om de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren omdat de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank baseert dat oordeel op de deskundigenrapporten, waaruit blijkt dat het recidiverisico als verhoogd wordt ingeschat en dat de verdachte behandeld moet worden voor zijn psychische problematiek. Daarom beveelt de rechtbank dat de aan de voorwaardelijke veroordeling te verbinden voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.Vorderingen van de benadeelde partijen

7.1
Benadeelde partij [benadeelde 1] ten aanzien van feit 1, 2 en 3 in zaak A
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 642,25 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten in zaak A zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit de reparatie van een bril (€ 242,25) en een trainingspak (€ 400,-).
De rechtbank merkt op dat de benadeelde partij heeft aangegeven wel immateriële schade te hebben geleden, maar geen schadebedrag heeft ingevuld bij deze schadepost.
7.1.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade van de reparatie van een bril (€ 242,25) kan worden toegewezen. Ten aanzien van de schade aan het trainingspak heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie eveneens verzocht gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid, nu de benadeelde partij geen schadebedrag heeft ingevuld, maar wel aannemelijk is dat hij schade heeft geleden. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.1.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de materiële schade verzocht de schadepost van de bril af te wijzen, omdat het causaal verband tussen de ten laste gelegde feiten en de schade ontbreekt. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partij ten aanzien van het trainingspak niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze schadepost niet is onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw opgemerkt dat het schadebedrag niet is ingevuld en daarom niet is geconcretiseerd, en verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
7.1.3
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is op grond van de vordering en de toelichting ter zitting van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen in zaak A rechtstreeks materiële schade heeft geleden. De gevorderde vergoeding van materiele schade aan de bril en het trainingspak komen voor toewijzing in aanmerking. De benadeelde partij heeft ter zitting toegelicht dat een onderdeel van de bril moest worden besteld, waardoor de factuurdatum van ruim drie maanden na de bewezenverklaarde feiten is. De rechtbank wijst daarom dit deel van de vordering volledig toe.
Niet bestreden is dat de benadeelde partij schade heeft geleden aan het trainingspak, nu dit is overgoten met benzine. Nu de hoogte van het bedrag niet met stukken is onderbouwd, zal de rechtbank gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid en een bedrag van € 100,- toewijzen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Immateriële schade
Ten aanzien van de immateriële schade stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij weliswaar heeft aangegeven immateriële schade te hebben geleden, maar geen bedrag hiervoor te hebben gevorderd. Ter zitting heeft de benadeelde partij toegelicht dat het hem niet om het geld gaat. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat er op dit moment dan ook geen verzoek tot vergoeding van immateriële schade voorligt waarop moet worden beslist. Mocht de benadeelde partij op een later moment toch vergoeding van deze schade wensen, kan hij een verzoek daartoe aan de burgerlijke rechter voorleggen.
7.1.4
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 342,25, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Ook moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 342,25 aan de Staat moet betalen.
7.2
Benadeelde partij [benadeelde 2] ten aanzien van feit 1 en 2 in zaak B
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 935,15 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten in zaak B zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 185,15 aan materiële schade, bestaande uit schade aan het gebit, en € 750,- aan immateriële schade.
7.2.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de materiële schade af te wijzen, omdat het causaal verband tussen de ten laste gelegde feiten en de schade niet is onderbouwd. Daarnaast heeft de raadsvrouw ten aanzien van de immateriële schade primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze schade onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de immateriële schade te matigen.
7.2.3
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende heeft onderbouwd dat de schade aan het gebit rechtstreeks het gevolg is van het onder 1 en 2 in zaak B bewezenverklaarde handelen van de verdachte. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij letsel aan zijn pink heeft opgelopen als gevolg van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten.
Voor de hoogte van het toe te wijzen schadevergoedingsbedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en in het bijzonder naar paragraaf 13. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van categorie c, omdat sprake is van licht letsel met een herstelperiode van ongeveer twee maanden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 750,- billijk is voor het letsel aan de hand.
7.2.4
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij zal dus worden toegewezen tot een bedrag van € 750,- bestaande uit immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij wordt voor de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk verklaard.
Ook moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 750,- aan de Staat moet betalen.
7.3
Benadeelde partij [benadeelde 4] ten aanzien van feit 1 en 2 in zaak C
De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.250,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten in zaak C zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 1.250,- aan materiële schade, bestaande uit schade aan een telefoon (€ 250,-) en schade aan een tand (€ 1.000,-), en € 2.000,- aan immateriële schade. Daarnaast heeft hij vergoeding van € 20,- aan reiskosten verzocht.
7.3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.
7.3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
7.3.3
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij de gevorderde materiële schadeposten onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, aanhef en onder b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte onder feit 2 in zaak C gepleegde strafbare feit.
Voor de hoogte van het toe te wijzen schadevergoedingsbedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en in het bijzonder naar paragraaf 9.1, categorie f, omdat sprake is van een licht beschadigde voortand. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.000,- billijk is voor een beschadigde voortand.
Reiskosten
De vergoeding van € 20,- aan reiskosten wordt eveneens niet-ontvankelijk verklaard bij een gebrek aan onderbouwing.
7.3.4
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij zal dus worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,- bestaande uit immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij wordt voor de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk verklaard.
Ook moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 1.000,- aan de Staat moet betalen.
7.4
Benadeelde partij [benadeelde 5] ten aanzien van feit 4 in zaak C
De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.414,81 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit in zaak C zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 714,81 aan materiële schade, bestaande uit een vernielde trui (€ 69,95) en de kosten van de tandarts (€ 644,86), en € 700,- aan immateriële schade.
7.4.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.4.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de materiële schade verzocht de schadepost van de vernielde trui af te wijzen, omdat deze schade niet is onderbouwd. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partij ten aanzien van de kosten van de tandarts niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het causaal verband tussen het ten laste gelegde feit en de schade niet is onderbouwd. Verder heeft de raadsvrouw verzocht het bedrag ten aanzien van de immateriële schade te matigen.
7.4.3
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade, bestaande uit een vernielde trui (€ 69,95) en de kosten van de tandarts (€ 644,86), voldoende is onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 4 in zaak C bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de rechtbank acht de gevorderde kosten redelijk. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, aanhef en onder b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit.
Voor de hoogte van het toe te wijzen schadevergoedingsbedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en in het bijzonder naar paragraaf 9.1. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van categorie f, onder v, omdat sprake is van ernstige beschadiging van kiezen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 700,- billijk is voor het letsel aan de kiezen.
7.4.4
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij zal dus worden toegewezen tot een bedrag van € 1.414,81, bestaande uit € 714,81 als vergoeding voor de materiële en € 700,- als vergoeding voor de immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Ook moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 1.414,81 aan de Staat moet betalen.

8.Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 10 oktober 2023 in de zaak met parketnummer 09/170490-23 heeft de politierechter te Den Haag de verdachte ter zake van vernieling en huisvredebreuk veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een week. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 24 oktober 2023 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat de verdachte na een lange periode in detentie recent is overgeplaatst naar een FPK.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet op de straf die in deze zaak aan de verdachte wordt opgelegd en het feit dat de verdachte recent is opgenomen in FPK Transfore en de rechtbank de behandeling van de verdachte niet wilt doorkruisen, acht de rechtbank het echter niet opportuun om nu de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te gelasten.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging daarom afwijzen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 157, 180, 241, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
10.
Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten in zaak A, de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten in zaak B en de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten in zaak C heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
780 [zevenhonderdtachtig] dagen.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
262 [tweehonderdtweeënzestig] dagen nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van
3 [drie] jaren.
Stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als
bijzondere voorwaardendat de verdachte:
- meewerkt aan de meldplicht bij de reclassering. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich laat opnemen in FPK Transfore of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname duurt maximaal twaalf maanden, of zoveel korter als de reclassering nodig acht. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- zich laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig acht. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag, schuldenproblematiek, delict preventie, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie, diagnostiek en/of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
- verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische opname. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in
overleg met de reclassering opstelt;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met:
[benadeelde 1], geboren op [geboortedatum 2] te Paramaribo (Suriname), en
[benadeelde 5], geboren op [geboortedatum 3] te Amsterdam,
zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- zich niet in de [adres] te Zaandam bevindt, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig acht;
- meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel de verdachte wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclasseringsinstelling Leger des Heils Noord Holland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Benadeelde partijen
[benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 342,25, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 342,25, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
[benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 750,- bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 750,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
[benadeelde 4]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 1.000,- bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 4], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 1.000,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
[benadeelde 5]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 1.414,81, bestaande uit € 714,81 als vergoeding voor de materiële en € 700,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 5], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 5]
de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 1.414,81, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering tot tenuitvoerlegging
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Den Haag van 10 oktober 2023 in de zaak met parketnummer 09/170490-23 opgelegde voorwaardelijke straf.
Voorlopige hechtenis
Heft op de reeds geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.M.G. Hink, voorzitter,
mr. N.M.L. Rogmans en mr. L.M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juni 2026.
Bijlage I
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a Sv in zaak A op de zitting van 7 juli 2025, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende feiten:
ten aanzien van zaak A
feit 1 primair
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten, terwijl daarvan
-levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [benadeelde 1] te duchten was |
-met een auto naar de woning van die [benadeelde 1] is gereden,
-(vervolgens) zich met een jerrycan gevuld met benzine, althans een brandbare stof, en/of meerdere aanstekers richting die [benadeelde 1] heeft begeven,
- een hoeveelheid benzine, althans een brandbare stof, in het gezicht en/of over het lichaam van die [benadeelde 1] heeft gegooid en/of gegoten,
- een hoeveelheid benzine, althans een brandbare stof over zichzelf heen heeft gegooid en/of gegoten, terwijl hij, verdachte, op korte afstand van die [benadeelde 1] stond en/of
- ( vervolgens) een aansteker ter hand heeft genomen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 1 subsidiair
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, althans in Nederland, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, opzettelijk voorwerpen en/of stoffen, te weten een jerrycan gevuld met benzine, althans een brandbare stof, en/of meerdere aanstekers bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;
feit 2
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, althans in Nederland [benadeelde 1] heeft bedreigd met
- enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of
- zware mishandeling, en/of
- brandstichting, door
- een hoeveelheid benzine, althans een brandbare stof, in het gezicht en/of over het lichaam van die [benadeelde 1] te gooien en/of te gieten,
- ( vervolgens) een aansteker ter hand te nemen, en/of
- door die [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen "ik steekje in de brand", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
feit 3
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, althans in Nederland [benadeelde 1] heeft mishandeld door een hoeveelheid benzine, althans een brandbare stof, in het gezicht en/of over het lichaam van die [benadeelde 1] te gooien en/of te gieten;
ten aanzien van zaak B
feit 1
hij op of omstreeks 3 januari 2024 te Gennep, althans in Nederland, [benadeelde 2] heeft mishandeld door die [benadeelde 2] meermalen, althans eenmaal te slaan;
feit 2
hij op of omstreeks 3 januari 2024 te Gennep, althans in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [benadeelde 2] (Buitengewoon opsporingsambtenaa), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte en/of belast met de opsporing van de feiten zoals benoemd in Domein 1 Openbare Ruimte van de circulaire BOA) door die [benadeelde 2] en/of personen die bij de aanhouding assisteerden te bijten en/of te schoppen en/of te krabben en/of in de richting van die [benadeelde 2] en/of personen die bij de aanhouding assisteerden te schoppen en/of door zijn, verdachtes, lichaam in een andere richting te bewegen dan die [benadeelde 2] hem wilde brengen;
feit 3
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 12 december 2023 tot en met 3 januari 2024 te Gennep en/of Venlo, althans in Nederland, [benadeelde 3] (burgemeester van gemeente Gennep) meermalen, althans eenmaal, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
-een grafsteen neer te leggen bij de hoofdingang van het gemeentehuis en/of tegen [getuige 1] en/of [getuige 2] te zeggen (over voornoemde [benadeelde 3]): "ik neem het de burgemeester kwalijk", en/of
-tegen [getuige 4], [getuige 5] en/of [getuige 6] te zeggen (over voornoemde [benadeelde 3]) "ik wil de burgemeester spreken" en/of "ik ben klaar met het racisme en daarom heb ik eerder de grafsteen van mijn overleden kind bij de burgemeester gezet", en/of
-tegen [benadeelde 2] en/of [getuige 3] (over voornoemde [benadeelde 3]) te zeggen "ik krijg hem wel te pakken" en/of "ik weet hem wel te vinden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, waar die [benadeelde 3] kennis van heeft genomen;
ten aanzien van zaak C
feit 1
hij op of omstreeks 8 maart 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 4], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
feit 2
hij op of omstreeks 8 maart 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland [benadeelde 4] heeft mishandeld door die [benadeelde 4]
-met een barkruk tegen het lichaam te slaan;
feit 3
hij op of omstreeks 8 maart 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland met een persoon, te weten [benadeelde 4] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, door
-met zijn geslachtsdeel tegen die [benadeelde 4] aan te gaan staan en/of
-tegen die [benadeelde 4] aan te rijden
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [benadeelde 4] daartoe de wil ontbrak;
feit 4
hij op of omstreeks 8 maart 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland [benadeelde 5] heeft mishandeld door die [benadeelde 5]
-een kopstoot te geven en/of
-een of meermaals tegen de kaak, althans tegen het hoofd, te slaan.
Bijlage II
De bewijsmiddelen
(..)